Een bijzondere glimlach

Esmeralda van Meurs-Schellekens, ervaring uit het verpleeghuis 20-04-2022
Een bijzondere glimlach

Bij binnenkomst zie ik een mail van een verzorgende: je hebt meerdere keren aangegeven niet meer te willen leven, bij verscheidene zusters al. Ook heb je onlangs een longontsteking doorgemaakt en was het duidelijk dat het leven voor jou niet meer hoefde. Je zoon was het hier ook me eens.

Je hebt alzheimer dementie, waardoor je hier in het verpleeghuis woont. Ik ken je als een vrolijke en bescheiden man. In de huiskamer ben je niet vaak, je zit liever in de vertrouwde omgeving van je slaapkamer. Je bent weduwnaar, je vrouw is al overleden. Samen hebben jullie een zoon, een paar keer per week komt hij langs en hebben jullie de grootste lol samen. Op de gang vang ik wel eens jullie gelach op.

Vandaag staat je deur open. Toch klop ik en roep ik: "Goedemorgen." Je zit met je rug naar mij toe aan tafel te ontbijten. Je hoort niet heel goed meer, dus wanneer ik naar binnen loop roep ik nog een keer: "Goedemorgen." Ik ga naast je zitten en je vertelt over je ouders, ouderlijk gezin, vrouw, zoon, vrienden, buren en zelfs kennissen. Het gesprek gaat vooral over al het plezier dat je (met hen) hebt beleefd.

Ik mag een kijkje nemen in het leven dat je hebt gehad.
Als je me vraagt hoe oud ik eigenlijk bed, vraag ik jou in welk jaar je geboren bent.
"1922, in september." Ik kijk je aan: "Weet u, u bent al 99 jaar, het is inmiddels 2021, de tijd vliegt." Je kijkt me verbaasd aan: "99 jaar? Waarom leef ik eigenlijk nog?" Terwijl je dit zegt verplaatsen de rimpels zich in je voorhoofd en zak je achterover in je stoel. "Wat doe ik hier nog? Willen ze mij soms niet hebben daarboven? Is er dan niemand die mij wil komen halen?"
Ik verbaas me over hoe een brein met dementie werkt. Hoe zou het leven er voor jou uit zien op dit moment? Kon ik maar even een kijkje nemen om te begrijpen hoe jij de wereld nu ervaart.

Halverwege je boterham heb je geen trek meer, je bent erg moe. Ik vraag of je nog een kopje thee wil en haal deze voor je. Als ik de verzorgende spreek, vertellen ze me dat het niks voor jou is, normaal eet je met smaak twee boterhammen. Wanneer ik met een kopje thee terugloop naar je slaapkamer, zit je niet meer aan tafel. Je bent in je bed gaan liggen.

We spreken vervolgens over de dood. Je kijkt terug op een mooi leven, spijt heb je niet en je bent niet bang om te gaan. Wanneer je het aan mij vraagt, of ik bang ben, ben ik eerlijk. "Ja. Maar ik ben vooral bang om nú al te gaan." Er valt een korte stilte.
"Nicht verheiratet zeker? En nog geen kinderen?" Waarom je plots half Duits tegen me spreekt mag Joost weten. "Jawel, ik ben getrouwd. En ik heb twee kinderen." Je kijkt me verwonderlijk aan. "Je hebt zeker een gelukkige man?" Ik kan een lach niet onderdrukken. "Ik hoop het." Je kijkt me aan en zegt met een serieus gezicht: "Dat weet ik wel zeker. Als ik zo naar je kijk denk ik potdomme, wat een leuke meid, als ik dat zeggen mag!" Ik schiet in de lach en zeg: "Meneer, u bent toch niet met mij aan het flirten hé!?" ik zie de lichtjes in je ogen glinsteren en er verschijnt een grote glimlach van oor tot oor.

De arts en de verpleegkundige komen bij je langs en praten over hoe het met je gaat. Het is duidelijk dat je niet alles volgt. Ik vraag ze om op de gang verder te praten. Als ze vertrokken zijn, vraag je wel gelijk of je vandaag in bed mag blijven liggen. "Van mij wel. Rust maar goed uit." Tussen de middag wordt er altijd warm gegeten, maar dit is voor jou nu te veel. Een kopje soep, daar zou je wel trek in hebben, dus dat regel ik voor je.

Wanneer mijn werkdag erop zit, loop ik nog even bij je langs om gedag te zeggen. Je vraagt aan me wanneer je me weer zal zien. Ik geef aan dat ik enkel op de maandag op deze locatie werk, dus dat zal pas een week later zijn. Je lijkt dit jammer te vinden. "Dat duurt nog zo lang." Ik krijg een knipoog van je. Vereerd met deze opmerking vertrek ik naar huis.

Een week gaat voorbij, waarbij ik met regelmaat even aan je heb gedacht.
Wanneer ik er maandag weer ben, stap ik positief richting jouw slaapkamer. Wederom staat ook deze keer de deur open. Ik kom binnen en gooi er vrolijk een goedemorgen uit. Ik klop op de deur en loop door. Geen gehoor. Ik roep nogmaals "Goedemorgen."

Ik zie je in bed liggen met een grote zuurstoffles naast je en een slangetje in je neus. Je doet je ogen open, bekijkt mijn gezicht, beweegt je hand iets en geeft me een glimlach van oor tot oor. Geschrokken wrijf ik over je arm: "Ga maar slapen." Ik plaats de foto van je vrouw wat naar voren op het nachtkastje, zodat je haar beter kan zien en loop zachtjes je kamer weer uit.

Later op de dag vraagt de zuster of ik nog even meekom om bij hem te kijken: "Hij heeft nog naar je gevraagd deze week. Hij vroeg zich af wanneer je weer kwam." De zuurstoffles is weg en hij ligt comfortabel in bed.
Niet eerder heeft een naderend overlijden van een bewoner zoveel met mij gedaan als nu. Het voelt voor mij heel goed dat ik je nog even heb kunnen zien vandaag en in mijn beleving, heb je het ook doorgehad dat ik bij je was.
Het ga je goed.

Foto: Pexels.