Niets had dit kunnen evenaren (column)

Auteur: Sander de Hosson, longarts
05.04.2025
Niets had dit kunnen evenaren (column)
Auteur: Sander de Hosson, longarts
05.04.2025

Al sinds ik werk in de palliatieve zorg valt me op hoe eenvoudige, maar doeltreffende hulpmiddelen het verschil kunnen maken in de laatste levensfase. Niet alleen voor degene die sterft, maar juist ook voor degenen die achterblijven. Een voorbeeld daarvan is de waakmand, een doos vol kleine gebaren: een boekje over afscheid, een gedicht over rouw, een warm dekentje voor de nachten aan het bed. Nabestaanden vertellen me vaak hoezeer ze zich gesteund voelden door zulke details. Want in die intense dagen rond een sterfbed zijn het juist de kleine dingen die het grootst blijken.

Er is één hulpmiddel dat voor mij alles op dit vlak overschaduwt: het koppelbed.

Een simpel concept: een bed dat tegen een ziekenhuis- of hospicebed wordt geschoven, zodat een eenpersoonsbed plots een tweepersoonsbed wordt. Voorheen was dat onmogelijk. De hobbels en stangen van zorgbedden stonden intimiteit in de weg en naasten lagen vaak op gammele stretchers in de hoek. Maar sinds 2019, mede dankzij de Roparun, is het koppelbed beschikbaar in ziekenhuizen, hospices en verpleeghuizen. En wat later kon het bed zelfs thuis ingezet worden. Ik heb zó vaak gezien hoe dit bed de laatste momenten van mensen samen veranderde.

Eén laatste nacht samen

De allereerste keer dat ik een koppelbed zag, was in mijn eigen ziekenhuis bij een ouder echtpaar, meer dan zestig jaar getrouwd. Hij, een man van in de tachtig, lag al dagen benauwd in zijn ziekenhuisbed. Hartfalen. De medicatie hielp niet meer. Zijn vrouw, altijd dichtbij, sliep op een stoel naast hem. Haar hand rustte op het laken, haar rug gebogen in die stoel en dat was allesbehalve comfortabel. Thuis slapen wilde ze niet en ‘dit was wel goed’.

Toen het palliatief team erbij betrokken werd, haalden we het koppelbed van stal. We hadden het net gekregen en konden het inzetten. Wat ik zag gebeuren, was fenomenaal. Die nacht sliep ze eindelijk naast hem, lepeltje-lepeltje, haar hoofd op zijn schouder, zoals al die duizenden nachten ervoor. Hij overleed in de vroege ochtend, zijn hand nog steeds in de hare. Geweldig. Geen gesprek, geen medicijn, niets had dit kunnen evenaren.

Een vader en zijn dochter

Niet alleen geliefden, maar ook ouders en kinderen vinden troost in het koppelbed.

Zo kende ik David, een vader van ergens in de veertig, die in een hospice lag. Een agressieve tumor had hem in een paar maanden tijd veranderd van een sterke, energieke man in iemand die niet meer zelfstandig kon opstaan. Zijn wereld werd kleiner, zijn tijd korter. Maar er was één constante: zijn dochtertje Lize van zes, die elke dag met moeder meekwam. Toen het slechter ging en de dood de kamer echt in denderde, uitte Mark nog één wens: “Mag Lize vannacht bij me slapen. In dit bed?”

Dankzij het koppelbed kon het. Die avond kroop ze naast hem. Ik heb het verhaal zo vaak gehoord van de betrokken zorgverleners die ademloos hadden toegekeken. Ze verhaalden met name over het beeld van haar hand die stevig in de zijne bleef rusten. Ze keken samen een tekenfilm, lachten nog één keer om een grapje dat alleen zij begrepen. In de vroege ochtend stierf Mark, terwijl Lize nog diep lag te slapen, dicht tegen hem aan. Toen ze wakker werd, was hij er niet meer. Maar hij had haar geen seconde losgelaten.

Dichtbij tot het einde

Het koppelbed verlengt geen levens, maar het geeft wel volop ruimte aan de liefde in de laatste uren. En in die uren, als woorden overbodig worden, is het vaak echt genoeg om er gewoon te zijn. Om een hand te voelen, een ademhaling te horen, een hartslag.

We kunnen de dood niet stoppen. Maar door ogenschijnlijk simpele hulpmiddelen kan de weg ernaar toe verzacht worden. En ik weet het zeker: in die verzachting huist een ongekende kracht.