De trouwjurk

Sander de Hosson sep 29, 2021
De trouwjurk

“Niet te laat komen”, appt een collega een dag tevoren. “En ook niet te vroeg. Beiden zijn niet goed”.

Stipt om negen uur in de ochtend drukt de huisarts op de bel van een twee-onder-een-kapwoning in het kleine dorp. Mijn hart bonkt in de keel als een vriendin van de vrouw opendoet. “Hoi”, zegt ze en de deur zwiept verder open. “Kom verder.”

Een klein uur eerder was ik ‘voor een koffie vooraf’ over een landweg dwars door de natuur naar de huisartsenpraktijk gereden. Het was prachtig weer, de zon scheen tegen een strakblauwe hemel al volop over de in ochtendnevel gehulde weilanden.

Er zijn maar weinig andere auto’s op de weg, maar eentje valt me op: een jonge vrouw moet afremmen zodat we kunnen passeren op de nauwe weg en ik zie nog net dat op de achterbank drie kleine kinderen zitten. Gezien het tijdstip gaan ze vast naar school. Het beeld van jonge kinderen op dit moment vliegt me aan en ik begrijp niet goed waarom. “Zouden ze wel weten waarom ik hier rijd?” vraag ik me af. “Dat ik er zo bij ben als iemand sterft na het toedienen van een injectie? Is het misschien wel het scherpe contrast tussen het volle leven en de dood?”.

De koffie met de huisarts vooraf is heel fijn. Ik kijk hoe ze de medicatie klaar maakt. Als ze daarmee klaar is, slaat ze haar arm om mijn pols. “Bedankt” zegt ze. “Bedankt dat je me wilt ondersteunen. Ik zou dit nooit alleen willen doen. Euthanasie behoort tot de meest eenzame momenten in mijn werk.” Toen ze me een week eerder vroeg, had ik geen seconde getwijfeld over het antwoord. Ik zie collegiale ondersteuning als een logische en morele verplichting van mijn werk.

De laatste keer dat ik een euthanasie meemaakte, is al vele jaren geleden. Toen deed ik het zelf. Alleen. Die gebeurtenissen hebben hun weerslag op mij gehad. Tientallen keren heb ik de momenten teruggehaald. Toen ik eens met een bekende over mijn ervaring sprak, zei hij: “Dokters zijn opgeleid om te genezen, dus daarom is het zo moeilijk”. Maar dat is het niet, dat is niet waarom ik dit specifiek zo moeilijk vind. De dood hoort onlosmakelijk bij mijn werk. Wij kunnen bij heel ernstige ziekten vaak helemaal niet genezen. Van mijn patiënten met longkanker overlijdt 90%. De onvermijdelijkheid van hun dood staat vaak al vast. Ik zie het juist als een hogere taak om de weg naar die dood te verlichten. “Genezing van lijden,” ben ik dat gaan noemen.

Palliatieve zorg is een heel breed vak, en -hoewel de nadruk van de media wel eens anders doet geloven- is euthanasie daar maar een beperkt onderdeel van. U zult zich afvragen waarom ik dat juist in deze column zo concreet opschrijf, maar er is geen betere plek waar het past: er mag wat mij betreft in de media veel meer over andere aspecten van goede zorg in de latere en laatste fase van het leven geschreven worden.

Dat neemt niet weg dat ik het grootste respect heb voor mensen die kiezen voor deze weg; een invoelbare keuze door de ondraaglijkheid van het onderliggend lijden, maar ik zal hem altijd heel intens vinden. Voor alle betrokkenen, ook voor de zorgverleners.

Het gaat me daarbij niet om de rauwheid van de procedure, de onmiddellijke consequentie van de handeling, maar misschien wel om haar planbaarheid: het vastleggen van een tijdstip, in dit geval precies om negen uur in de ochtend.

“Wie zou die tijd bedacht hebben?" bedenk ik mij. "De patiënt zelf of toch de huisarts? Waarom niet om acht uur ’s avonds? Of in de middag. “Wat doe je eigenlijk als je weet dat je straks of morgen gaat sterven. Tel je de uren af? Luister je nog even naar je allerliefste muziek? Hoe vul je de uren? Denk je niet steeds: ‘was het maar zover’. Of juist andersom: hoe doorsta je de perioden met twijfel? Het zijn vragen die maar blijven resoneren.

We stappen de kamer binnen. De vrouw zit aan een ronde tafel en om haar heen zitten zeker vijf anderen. “Hoi”, roept ze vrolijk. “Ik typ nog snel even wat op Facebook, maar de antwoorden lees ik niet meer, hoor.” Ze kijkt ons met een vriendelijke glimlach aan, haar gezicht is opgemaakt en ze draagt een prachtige, felrode fluwelen trouwjurk. In niets lijkt ze meer op de grauwe vrouw die ik eerder zag.

Dat was twee weken geleden op mijn spreekuur, omdat ze 'de longfoto wilde zien'. Een dramatisch beeld: de hoofdbronchus naar de linkeronderkwab werd volledig omsloten door een grote tumor die elke luchtverplaatsing naar achterliggend longweefsel onmogelijk had gemaakt. In haar oksel zaten vele lymfeklieruitzaaiingen, maar de grootste uitzaaiing zat boven haar sleutelbeen. Die deed veel pijn en dat begreep ik ook, want hij groeide loodrecht door het bot heen die ter plekke ook doormidden was.

Toen ik begon over verder onderzoek en een eventuele behandeling was ze resoluut: “Ik heb genoeg gezien, beste dokter. Ik hoef dat niet mee te maken. Het is ondraaglijk. Ik wil sterven. Ik wil euthanasie.” In een ruk vertelde ze me dat haar man en haar dochter beiden gestorven waren door kanker en dat de ziektetrajecten voor hun, maar ook voor haar heftig geweest waren. “Dat zal me nooit overkomen.” Niet wetende van het latere verzoek van de huisarts, vraag ik of ik over twee weken nog even met haar mag bellen hoe het gaat. Ze antwoordt: “Dat mag, maar als ik niet opneem, ben ik dood.”

De kleine huiskamer wordt voor een groot deel ingenomen door een bed zonder dekens met aan weerzijden grijze stoelen. Ik luister in stilte naar het korte gesprek waarin de huisarts aan de vrouw en aan alle toehoorders duidelijk uitlegt wat er zo gebeuren gaat. Aan het einde vraagt de huisarts haar of dit echt is wat ze wil. Ze is weer zo duidelijk: “Ja.”

“Dan gaan we beginnen,” zegt de huisarts. “Ga maar liggen.”

Haar vrienden dirigeren me naar een van de twee stoelen die aan de ene zijde van het bed zijn opgesteld, de huisarts gaat naast me zitten, direct naast het hoofdeinde van haar bed. De gebeurtenissen voltrekken zich razendsnel; de vrouw staat op uit haar stoel en wankelt naar het bed, ondersteund door een vriend. Ze gaat liggen, met haar armen over elkaar op haar buik. Iemand legt er een boeket op. Het meest indrukwekkende vind ik haar trouwjurk, een duidelijke verwijzing naar de liefde van haar leven. Een verwijzing naar het blijven vasthouden van elkaar en van de liefde. 'Iets dat voor iedereen in deze kamer geldt,' mijmer ik. “Mijn jurk past weer, omdat ik zo afgevallen ben,” lacht ze.

Ik zie dat ze pijn heeft. “Het slikken gaat ook niet meer,” had de huisarts mij verteld. De hulp bij zelfdoding (waarbij ze een drankje zou moeten drinken) werd daardoor noodgedwongen omgezet naar een euthanasie, waarbij de huisarts het medicijn direct in het infuus zou spuiten.

Dan neemt ze een voor een afscheid van haar vrienden en richt zich nog kort naar mij. “Dag,” zegt ze. “Wat onwijs fijn dat je er bent, ook voor de huisarts. Schrijf erover. Laat ze het zien. Laat ze voelen dat het zo goed is.”

Een vriendin zet een prachtig nummer van Andrea Bocelli op en op de klanken die de ruimte met een serene waas vullen, volgen liefkozingen. Ik bedenk me dat ik ook dit nummer nooit meer kan luisteren zonder de intensiteit van dit moment opnieuw te voelen, vooral als alle handen van haar vrienden zich ineen slaan. De huisarts dient eerst een pijnstillend medicijn toe en direct daarna een medicijn waardoor de vrouw gaat slapen.

“Gek,” zegt ze nog. “Ik ben zo dood.”

Seconden erna zie ik dat haar gelaatsuitdrukking verandert doordat de spieren rond haar mond en haar voorhoofd verslappen. “Ze slaapt al,” fluistert de huisarts waarop de vriend aan de andere kant van het bed haar lichaam nog vaster omklemt. “Nu spuit ik het andere medicijn in,” zegt de huisarts, “daarvan stopt het hart met kloppen.”

De woorden verstommen. Ze zijn gezegd. Ik staar naar haar gezicht. Het wordt helemaal stil in de ruimte, omdat iedereen naar haar kijkt en na iets wat als een minuut voelt zegt de huisarts: “Het is klaar. Het is gebeurd. Ze is dood.”

Op mijn horloge zie ik dat het nog niet eens kwart over negen is en ik schrik daarvan, want het is volkomen discrepant met mijn tijdsgevoel. Door de intensiteit van de gebeurtenissen, is de tijd nauwelijks voortgekropen, ik ben al veel verder.

Samen met de huisarts wacht ik op de gemeentelijk lijkschouwer en als hij er is, neem ik afscheid van de vrienden en de huisarts. De laatste pakt me opnieuw bij mijn arm, wil met me naar buiten lopen, maar in een vreemde reflex begin we elkaar te omhelzen in het midden van de huiskamer tussen iedereen in. Het mag van ze. Ik voel dat ook deze emotie er mag zijn tussen die van de vrienden. Het veroorzaakt tranen in mijn ogen, die terug te horen zijn in een gebroken stem.

“Bedankt” hoor ik haar fluisteren. “Jij ook,” fluister ik terug.

Als ik in de auto over dezelfde landweg terugrijd en weer de weilanden zie, voel ik dat de brok in mijn keel niet wil verdwijnen. Ik denk terug aan wat ze me in het voorgesprek vertelde over 'de kwetsbaarheid van de zorgverlener tijdens de procedure’ en pas daar begrijp ik ten volle waarom de huisarts niet alleen wilde zijn.


Wilt u meer weten en leren over palliatieve zorg? Volg dan onze webinars. Binnenkort start een nieuwe reeks. Geaccrediteerd voor zorgverleners, maar ook toegankelijk voor niet-zorgeverleners. Hier vindt u meer informatie.