Twee handen

Sander de Hosson Dec 29, 2021
Twee handen

“Nog even terug! Terug naar de kamer”, schreeuwt iemand. Het bed staat al scheef in de deuropening. De man zit voorovergebogen, fors benauwd. Dat is vooral te zien aan het gebruik van al zijn hulpademhalingsspieren, zelfs die rond zijn schouders die hij omhoog trekt om maar voldoende lucht binnen te krijgen.

Drie dagen geleden was hij opgenomen op de cohortafdeling. Op een tweepersoonskamer, want de huisarts had bij opname al aangekondigd dat zijn vrouw wellicht snel zou volgen; ook zij was erg ziek. Inderdaad volgde zij hem  een dag later. Samen waren ze ziek geworden, samen was het achteruit gegaan en samen naar het ziekenhuis. Ook de scans van de longen leken op elkaar: forse zich tot ver in de periferie van de longen uitbreidende witgekleurde afwijkingen. Onmiskenbaar corona. 

Ze waren beiden al ver in de zeventig en daarom was er al uitgebreid gepraat over de behandelingen die in de toekomst wel of niet zouden plaatsvinden. Hier had het echtpaar een verschillende afweging gemaakt: hij wilde ‘er helemaal voor gaan’,  maar zij zag dat anders: door een uitgezaaide vorm van borstkanker, die de laatste maanden ook nog eens verslechterd was, gaf ze aan een kunstmatige beademing niet te willen. “Dat wordt een troosteloze ondergang”, had ze ons –mij en haar man- toegefluisterd.

De eerste dagen was het nog wel goed gegaan. Ze hadden medicijnen gekregen, dexamethason en bloedverdunners en vanwege koorts met veel ontsteking in het bloed ook nog antibiotica. Weer liep hun ziektegeschiedenis samen op: bij beiden was vrijwel gelijktijdig ‘optiflow’ nodig, een uitwendig beademingsapparaat om op die manier te zorgen dat ze voldoende zuurstof binnen zouden krijgen. Het was even beter gegaan, maar op deze druilerige herfstdag gaat het vooral met hem snel achteruit.

De verpleegkundige belt over de zorgelijke en verslechterende situatie: “de zuurstofverzadiging kachelt in ondanks een maximale stand van de optiflow en komt niet meer boven de 80% uit”, roept ze.  We snellen ons naar hun kamer en zien dat de situatie ten opzichte van vanochtend veranderd is: hij ligt snel ademend in bed, met een ademfrequentie van minstens dertig per minuut. 

“Laat hem maar naar de IC komen’, roept de intensivist door de telefoon. In allerijl rukt de verpleegkundige de zuurstofslang uit de muur en zet hem over op een mobiele zuurstoftank. Een andere verpleegkundige klapt de bedranden omhoog. Er is nu haast geboden, want hij moet aan de kunstmatige beademing om er voor te zorgen dat zijn vitale organen voldoende zuurstof blijven houden. “Kut-corona,” schiet door me heen en ik richt me tot de man en tegelijkertijd tot zijn vrouw, ze kijken ons beiden met grote ogen aan. “We moeten naar de IC.” Direct trekt de verpleegkundige aan het bed de kamer uit. "En snel ook", mompelt ze.

“STOP!” roept iemand. “Zet het bed nog heel even tegen haar bed.” Het is een reflex, maar als ik nu, maanden later terug denk aan dit moment van waanzin is het van ongekende waarde. Want dit is geen detail. Integendeel.

Als de bedden tegen elkaar staan, richt de man zijn hand op. Het lukt hem bijna niet en de verpleegkundige moet hem ondersteunen en helpt hem in de goede richting. Als zijn hand die van zijn vrouw raakt, zie ik hoe de knokkels wit worden van de stevigheid waarmee dat gebeurt. Ze buigt naar voren en het lukt haar zelfs om zijn hand te kussen. Kort spreekt ze. Mooie woorden. “Het ga je goed. Het waren vijftig zo mooie jaren. Dank zo veel.” fluistert ze. 

Terugpraten kan hij niet meer, maar terwijl hij haar aankijkt, knikt hij.

Het is stil geworden in de kamer. De piepjes van de monitor zijn even weg, ook zijn ademhaling lijk ik ineens niet meer te horen. In die stilte wordt niets meer gezegd, maar toch is alles volstrekt duidelijk. Door een waas zie ik hoe dit beeld ook de verpleegkundigen raakt en hoe de stem van een van hen breekt als ze zegt dat we nu echt moeten gaan. Achter haar bril zie ik tranen die ook ik voel opwellen. 

In alle noodzakelijke haast wordt godzijdank even, heel even, ruimte gemaakt voor dit belangrijke moment. Doordat ze beiden in levensgevaar zijn - iedereen weet dat, ook zij zelf- is het hartverscheurend. Pas als we het bed wegrijden, laten die handen los. 

Voor een laatste keer, zal pas dagen later blijken.



----------------------------

Carend wenst u een fijne jaarwisseling. Ook in 2022 zullen wij de palliatieve zorg in de spotlight zetten door het delen van verhalen en ook het organiseren van webinars over uiteenlopende onderwerpen. Want dat is hard nodig.

Wij nodigen u van harte uit onze webinars (zowel voor zorgverleners als voor niet-zorgverleners) te volgen. Lees hier meer informatie: 

https://www.carend.nl/webinars