Een ruimte-innemend proces

Auteur: Gertien Koster
01.03.2023
Een ruimte-innemend proces
Auteur: Gertien Koster
01.03.2023

Het is 30 december, buiten ligt een klein laagje sneeuw. Ik kneed deeg voor de oliebollen en ben in gedachten verzonken. Mijn telefoon verstoort ruw de stilte. Het is Martin, mijn man. Hij huilt. ‘Het is helemaal mis, ik zie alles dubbel.’ Ik probeer hem gerust te stellen maar ben zelf ook geschrokken. Ik was het deeg van mijn handen, pak mijn laptop en google op dubbelzien. Het kan van alles zijn. Ik bel de huisarts, we mogen gelijk langskomen. 

Hij kent Martin nauwelijks want ondanks zijn niet zo gezonde leefstijl is mijn echtgenoot kerngezond. ‘Breng je wijsvinger naar je neus met je ogen dicht’, zegt huisarts Yoeri vriendelijk. De vinger belandt op Martins stoppelige wang. Ai. Geen goed teken.  Ik verwacht een verwijzing naar de neuroloog maar we moeten eerst langs de oogarts. Dat kan de volgende dag al. Onder het eten zegt Martin: ‘Dat is best moeilijk hoor, met je ogen dicht je neus aanraken. Amber, onze dochter, doet haar ogen dicht en voert de opdracht van de huisarts probleemloos uit. Haar vader kijkt beteuterd.  

De volgende ochtend zijn we al vroeg in het ziekenhuis. Iedereen lijkt in een feestelijke stemming. Er is een kraam met oliebollen, maar ik krijg geen hap door mijn keel. Ik maak me Grote Zorgen. Martin vertelde mij gisteravond, net voor het slapen gaan, dat hij afgelopen weekend zonder sportbroek het voetbalveld op is gegaan. Een teamgenoot wees hem er op. Nadat hij dit vertelde viel hij in slaap. Ik lag nog uren wakker.

'Nadat hij dit vertelde viel hij in slaap. Ik lag nog uren wakker'

‘Met uw ogen is niets mis’, zegt de oogarts en belt de neuroloog. Ik ben niet verbaasd. Martin mag gelijk door naar de poli neurologie en ondergaat diverse onderzoeken waaronder een hersenscan. Aan het einde van de dag krijgen we de uitslag. Er zit een tumor in zijn lieve hoofd. Eerst noemt de arts het een ruimte-innemend proces maar even later legt de neuroloog uit dat het een snelgroeiende tumor is op een plek waar ze niet bij kunnen. Biopteren kan kennelijk wel want dat gebeurt een paar dagen later. Ze nemen een hapje uit de tumor omdat ze precies willen weten met welk monster we te maken hebben, dat is nodig voor de eventuele bestraling.

We maken een groepsapp en informeren familie, vrienden en collega’s. In de dagen die volgen druppelt ons huis vol vrienden, vooral na een tegenvallende uitslag. Aan de grote keukentafel vloeien de tranen rijkelijk maar de wijn ook want de neuroloog heeft alcohol niet expliciet verboden. Mensen die elkaar tot nu toe nauwelijks kenden zijn samen verdrietig om het aanstaande verlies van hun gemeenschappelijke vriend. Martin is blij met al het medeleven en vraagt onze vrienden om mij te blijven steunen als hij er niet meer is. Dat beloven ze. Op een avond vraagt Martin mij om naast hem op de bank te komen. Hij wil me de nieuwe cd van Novastar laten horen. Bij het nummer ‘Lost and blown away zegt hij: ‘Dit nummer wil ik op mijn uitvaart.’ Ik knik, tranen beletten me te praten, en hoop dat zijn dood nog ver weg is.

Martin is bezorgd dat de tumor zal leiden tot gedragsveranderingen. Hij wil niet opeens een ander mens worden dan hij al 54 jaar is. Tegen zijn moeder grapt Martin dat hij misschien wel op 1 maart zal overlijden. De sterfdag van zijn vader. ‘Doe niet zo raar jongen’, antwoordt zijn moeder. ‘Dat is al al over zes weken.’

Tijdens de biopsie gaat de tumor bloeden. Door de druk in zijn hoofd heeft hij veel pijn. Ook raakt hij steeds meer verward. En door zijn neglect ziet hij de linkerkant van zijn bord niet waardoor hij denkt dat hij weinig eten krijgt. Na een paar helse dagen wordt er een zogenaamd Ommayareservoir geplaatst, daarmee halen ze overtollig vocht weg waardoor de druk vermindert. Ik heb met hem te doen en voel me machteloos. Ik probeer sterk te zijn, ook voor mijn dochter en haar twee kinderen, die dol zijn op opa. Op Martins nachtkastje staat een foto van de meisjes. Hij praat er soms tegen.

Achteraf denk ik dat ze een biopt hebben genomen om data te verzamelen voor wetenschappelijk onderzoek. Zijn prognose was immers al slecht en zijn levensverwachting kort. ‘We gaan niet bestralen’ zegt de radiotherapeut. Ik houd van zijn directheid. ‘Zijn conditie is te slecht. Meneer kan zijn tijd beter besteden aan goed afscheid nemen dan aan heen-en-weer reizen naar de bestralingsbunker.’ Deze arts is duidelijk, hij denkt dat Martin nog maar een paar weken heeft. Dat denk ik ook. Ik voel het. Op 3 februari komt Martin met een ambulance naar huis om te sterven. Slechts vijf weken nadat hij zijn wang aanraakte in plaats van zijn neus. De ambulancechauffeur vraagt of Martin nog ergens langs wil. Lief, maar het overvalt ons. ‘Rijd me maar naar Nicky’s Inn’, antwoordt Martin. Dat is zijn stamcafé.

Eenmaal thuis gaat het snel bergafwaarts. Er komt thuiszorg en nachtzorg zodat ik wat kan slapen. Martin verslechtert nog meer, krijgt absences en slaapt bijna voortdurend. De pijn in zijn hoofd blijft lastig te bestrijden. Hij wil geen muziek horen en bezoek hoeft niet meer. Hij kan de gesprekken niet volgen. Hij staart vaak naar buiten, naar de tuin, waar de eerste voorjaarsbloemen te zien zijn. De lente komt vroeg dit jaar, maar voor Martin veel te laat. Soms toont hij een glimp van wat er in hem omgaat. ‘Ik zie er wel tegenop’, zucht hij zo nu en dan. Tijdens de laatste dagen van februari slaapt hij bijna voortdurend maar hij kreunt ook vaak. De thuiszorg en ik denken dat hij nog steeds pijn heeft. Onze huisarts doet vanwege zijn geloof niet aan euthanasie. Dat is ook niet aan de orde. Wel krijgen we een discussie over het ophogen van de morfine. ‘Dat hij kreunt wil niet per se zeggen dat hij pijn heeft. Baby’s kreunen soms ook in hun slaap’, zegt Yoeri. Ik antwoord dat ik graag zeker weet dat hij geen pijn heeft. Hij stemt in en verhoogt de morfine. Het gekreun stopt en mijn geliefde wordt rustig.

Martin overlijdt op 1 maart, de sterfdag van zijn vader.


Foto: den-belitsky