Uit een recente replicatiestudie van onderzoekers van het Erasmus MC laat zien dat het aandeel overlijdens na bewust stoppen met eten en drinken (BSTED) in Nederland is toegenomen. In de onderzochte periode 2019–2023 steeg het percentage van 2,1 naar 3,5 procent van alle overlijdens.
Op basis van de analyse schatten de onderzoekers dat jaarlijks circa 5.800 mensen overlijden na BSTED. Daarmee vormt deze groep patiënten een niet te verwaarlozen component binnen de context van het levenseinde. De studie betreft een herhaling van eerder epidemiologisch onderzoek en had tot doel trends en patiëntkenmerken opnieuw te evalueren.
De resultaten tonen dat BSTED met name voorkomt bij ouderen van 80 jaar en ouder. In deze groep is vaak sprake van multipele somatische aandoeningen, functionele achteruitgang en een ervaren stapeling van klachten. Ernstige psychiatrische comorbiditeit lijkt in deze populatie minder frequent aanwezig.
In een aanzienlijk deel van de casuïstiek werd voorafgaand aan BSTED een euthanasieverzoek gedaan dat niet werd ingewilligd. De redenen hiervoor variëren en omvatten onder andere het niet voldoen aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen, onzekerheid over de wilsbekwaamheid of het ontbreken van een medisch-classificeerbare grondslag voor uitzichtloos en ondraaglijk lijden.
De onderzoekers onderstrepen dat BSTED juridisch is toegestaan wanneer sprake is van een vrijwillige en weloverwogen keuze. De rol van zorgprofessionals ligt primair in begeleiding en palliatieve ondersteuning, gericht op symptoomverlichting, comfort en zorgvuldige communicatie met patiënt en naasten. Klinisch vraagt BSTED specifieke aandacht voor mondzorg, dorstbeleving, delierpreventie, en adequate behandeling van pijn, angst en agitatie.
De waargenomen toename vraagt om verdere reflectie binnen de palliatieve zorg, ouderengeneeskunde en medische ethiek. Relevante vragen betreffen onder meer de besluitvorming rond het levenseinde, de herkenning van existentieel lijden, en de ondersteuning van patiënten bij complexe en langdurige kwetsbaarheid.
Je kan de studie hier downloaden.

Klinische implicatiesDe toename van BSTED heeft relevante consequenties voor de dagelijkse praktijk van artsen en verpleegkundigen, met name binnen de palliatieve zorg, ouderengeneeskunde en huisartsenzorg. 1. Vroegtijdige signalering en gespreksvoering Een expliciete wens om te stoppen met eten en drinken ontstaat zelden abrupt. Vaak gaat een periode van ambivalentie, uitputting of existentieel lijden vooraf. Vroegtijdige herkenning vraagt om open en niet-sturende communicatie over lijden, autonomie, behandelgrenzen en verwachtingen. Proactieve zorgplanning (PZP) kan helpen om waarden en voorkeuren tijdig te verhelderen. 2. Beoordeling van vrijwilligheid en wilsbekwaamheid Bij BSTED is zorgvuldige evaluatie essentieel: is sprake van een vrijwillige en weloverwogen keuze? Factoren zoals depressie, cognitieve stoornissen, delier, druk vanuit de omgeving of inadequaat symptoommanagement dienen expliciet te worden meegewogen. Documentatie van besluitvorming en consultatie (bijvoorbeeld via een collega of palliatief team) verhoogt transparantie en zorgvuldigheid. 3. Symptomatische begeleiding De klinische begeleiding richt zich op comfort en lijdensverlichting. Veelvoorkomende aandachtspunten zijn: Dorst- en mondklachten → intensieve mondzorg, bevochtiging, uitleg over dorstbeleving Delier → preventie, vroege herkenning, niet-farmacologische interventies, zo nodig medicatie Pijn en dyspneu → adequate opioïd- en adjuvante therapie Angst en agitatie → psychosociale ondersteuning, anxiolytica indien geïndiceerd Misselijkheid of onrust → gerichte farmacotherapie
4. Rolafbakening en teamafstemming BSTED kan morele spanning oproepen binnen teams. Heldere multidisciplinaire afstemming over doelen van zorg, verantwoordelijkheden en communicatie met naasten voorkomt inconsistentie. Teamreflectie en moreel beraad kunnen ondersteunend zijn. 5. Begeleiding van naasten Voor familieleden is BSTED vaak emotioneel belastend en moeilijk te begrijpen. Uitleg over het proces, symptoomverlichting en het natuurlijke verloop vermindert angst en misverstanden. Continue beschikbaarheid en aanwezigheid zijn hierbij cruciaal. 6. Onderscheid met andere levenseindebeslissingen BSTED vraagt om een andere klinische en ethische benadering dan euthanasie of palliatieve sedatie. Heldere uitleg over verschillen in intentie, juridisch kader en medisch handelen voorkomt conceptuele verwarring. |
Webinar Carend
Bekijk ook ons recente webinar over dit onderwerp met o.a. internist Alexander de Graeff en ethicus Gert van Dijk. Je vindt dat webinar hier.