Hoe gingen we vroeger om met doodgeboorte? En waarom bleef dit verlies zo lang onbesproken?
In een nieuwe aflevering van de Carend Podcast gaat podcasthost Joost Dorgelo in gesprek met historicus en antropoloog Jan Bleyen, verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven. Bleyen is auteur van onder meer de boeken Doodgeboren – een mondelinge geschiedenis van rouw, De dood in Vlaanderen en het methodologische werk Wat is gesproken geschiedenis?.
In het gesprek staat een thema centraal waar decennialang nauwelijks over werd gesproken: doodgeboorte en het verdriet dat daarbij hoort.
Van stilte naar erkenning
Bleyen beschrijft hoe in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw vaak werd gedacht dat het beter was om een doodgeboren baby direct bij de moeder weg te halen. Artsen en verpleegkundigen deden dat meestal vanuit de overtuiging dat dit het verdriet zou beperken en dat het beter was om zo snel mogelijk “verder te gaan”.
Tegenwoordig kijken we daar heel anders naar. Ouders krijgen juist de ruimte om hun kind te zien, vast te houden en afscheid te nemen. Er is meer aandacht voor herinneringen, rituelen en begeleiding bij rouw.
In de podcast wordt onderzocht hoe deze verandering tot stand is gekomen. Waarom bleef doodgeboorte lange tijd een verborgen verlies? Welke ideeën over verdriet, geneeskunde en moederschap speelden daarin een rol? En wat kunnen we vandaag leren van die geschiedenis?

Geschiedenis die helpt begrijpen
Door middel van mondelinge geschiedenis – verhalen van ouders, zorgverleners en betrokkenen – laat Bleyen zien hoe de omgang met rouw rond doodgeboorte langzaam veranderde. Wat ooit als medisch verstandig werd gezien, blijkt in retrospectief vaak juist te hebben bijgedragen aan langdurig en eenzaam verdriet.
Het gesprek biedt een indringend historisch perspectief op een verlies dat nog steeds veel gezinnen raakt, maar waar tegenwoordig gelukkig meer openheid en aandacht voor is.
De aflevering is nu hieronder te beluisteren via Spotify, Apple Podcast of je favoriete podcast. Deze podcast is mede mogelijk gemaakt door het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II.