Oké

Sander de Hosson, longarts 18-02-2022
Oké

De vrouw is met een flinke longontsteking binnengebracht op de spoedeisende hulp. Voor haar tachtigjarige leeftijd heeft ze een beperkte medische voorgeschiedenis, eigenlijk alleen suikerziekte.Ze is er niet knallend ziek van, maar toch spreek ik met haar af dat we haar even opnemen; het lijkt me verstandig om via het infuus antibiotica toe te dienen, omdat er toch wel veel ontsteking op de longfoto te zien is.

We maken grapjes. Volgende week is ze jarig – of ik er wel voor wil zorgen dat ze er dan weer een beetje fatsoenlijk uitziet. Ze maakt een ontspannen indruk. Haar echtgenoot zit ernaast, een paar olijke knipogen gaan over en weer. ‘Komt wel goed,’ zeg ik met een glimlach. Daarvan zal ik later spijt hebben.

Nog geen twee uur later word ik gebeld door de verpleegkundige van de longafdeling. ‘Meteen komen,’ wordt er geroepen. Het is nauwelijks verstaanbaar door het lawaai op de achtergrond. Piepjes. ‘Reanimatie,’ hoor ik voor het gesprek abrupt wordt beëindigd. 

Als ik arriveer, zijn ze net gestopt met reanimeren. De arts-assistent en anesthesist praten me bij: ‘Ze kreeg acute hartritmestoornissen. Er was sprake van ventrikelfibrilleren. We hebben electroshocks gegeven, meerdere keren. Meer dan tien minuten geen output. We zijn gestopt. De echtgenoot is in de familiekamer gaan zitten. Hij weet het nog niet. Hij weet nog niet dat ze dood is.’

Met lood in de schoenen loop ik naar de dichte deur. Ik twijfel even voordat ik er binnen stap. Ik slik. Ik praat vaak over de dood, maar zelden als iemand net overleden is en vrijwel nooit als dat niet verwacht werd. Dit went niet.

Ik ga naast hem op de zachte bank zitten. Zijn lijf staat strak van de spanning en hij kijkt me verwilderd aan. ‘O nee, dokter. Dit is niet goed. U kijkt niet goed. U kijkt helemaal niet goed.’ Dan leg ik mijn hand op zijn schouder en zeg het. ‘Ze is overleden. Ze is dood.’

Nadat ik verteld heb over wat er gebeurd is, lopen we samen naar haar toe. De verpleegkundigen hebben hard gewerkt om haar te verzorgen. Haar haren zijn mooi gekamd. Haar ogen gesloten. Ik ga naast het bed zitten, terwijl hij naar haar toe loopt. Het is prachtig om te zien hoe hij haar gezicht vastpakt, haar wangen tussen zijn beide handen neemt en zijn hoofd naar haar toe buigt. Ik vraag me af waarom ik als elfjarige zo ijzingwekkend bang was om überhaupt naar mijn opa in de kist te kijken, laat staan om hem aan te raken. Hier zie ik hoe prachtig het is als je dat gewoon durft en doet.

Hij kijkt me aan. ‘Vannacht lag ze nog lief naast me. Precies zoals ze nu ligt, maar dan naast mij in ons eigen bed. Ik had mijn arm om haar heen, omdat ze zich niet lekker voelde. En nu ligt ze hier, alleen, en is ze dood.’ Hij zwijgt even en roept dan uit: ‘Het is niet te bevatten. Het is zo gruwelijk niet te bevatten.’

Daarna is het stil. Op het nachtkastje ontwaar ik haar leesbril en haar telefoon. Een puzzelboekje. Ik kan mijn ogen er maar niet van afhouden. Het is niet goed uit te leggen waarom gebruiksvoorwerpen als deze bij mij een soort afschuw oproepen als de eigenaar niet meer leeft. Maakt de aanblik ervan het rauwe verlies zoveel voelbaarder?

Als ik de overlijdenspapieren invul, zie ik dat de verpleegkundigen bijkomen met een kop koffie. Ze zitten dicht op elkaar. Wat is het toch mooi hoe ze elkaar bijstaan na zo’n heftige gebeurtenis als een reanimatie. ‘Iedereen oké?’ hoor ik vragen. Het wordt gevolgd door eensluidende instemming voor ze opstaan. De anderen patiënten hebben even moeten wachten, maar het werk gaat door.

Ik loop nog even naar de spoedeisende hulp, waar de jonge arts-assistent zit die als eerste ter plekke was. Ze huilt. Ik leg een hand op haar schouder. ‘Ben je oké genoeg om door te gaan?’ vraag ik haar.

Als alles is afgerond, als alle gesprekken zijn gevoerd, stap ik in de auto en rijd terug naar huis over een lege snelweg met ondergaande zon. Ik zet muziek op. Adele. Tegen mijn gewoonte in knal ik het volume ver open. Als de tonen me treffen en door mijn lijf echoën, hoor ik zijn stem weer: ‘Vannacht lag ze nog lief naast me.’ In de achteruitkijkspiegel zie ik een traan. Is het eigenlijk ook wel echt oké met jou, vraag ik mezelf even later als de auto stilstaat op de parkeerplaats. Daar besef ik hoe intens en genadeloos de dood is. Hoe hij alles ineens anders maakt. 

Hou elkaar maar veel te vaak heel goed vast.


Uit: Slotcouplet, ervaringen van een longarts (2018).




Meer weten over zorg in de stervensfase? https://carend.nl/artikel/reeks-webinars-over-zorg-de-stervensfase