Als ik doodga

Auteur: Sander de Hosson, longarts
09.01.2026
Als ik doodga
Auteur: Sander de Hosson, longarts
09.01.2026

Als ik doodga
– en dat gebeurt, daar ontkomt niemand aan –
hoop ik dat niemand zijn best doet om dat volgens een protocol te doen.

Ik heb in mijn vroege carrière geprobeerd de dood begrijpelijk te maken.
Te ordenen in protocollen, zorgpaden en stappenplannen.
Alsof sterven te managen is,
zoals een project dat vooral niet mag uitlopen.

Maar diep van binnen wist ik natuurlijk al lang
dat het leven zich daar geen barst van aantrekt.
De dood al helemaal niet.

Als ik doodga, wil ik niet dat er wordt gefluisterd.
Dat er gewone zinnen klinken, in gewone mensentaal.
Dat iemand zegt: “Je gaat dood.”

Ik wil geen eufemismen.
Geen omwegen.
Geen vaagheden.

Ik wil niet horen dat ik ga “inslapen”
of dat dit “mijn laatste reis” is.
Zachtere taal doet de pijn niet verdwijnen.
Eerlijkheid doet dat wel.

Als ik doodga, hoeft niemand dapper te zijn.
Mijn kinderen niet.
Andere geliefden niet.
Ikzelf ook niet.

Dapperheid is overschat.
Kwetsbaarheid juist onderschat.

Er mag gehuild worden.
Geschreeuwd.
Gezwegen.

En vooral gelachen.
Om alle stomme dingen die ik heb gedaan.
Om die typische verhalen die altijd weer verteld worden
als je met vrienden rond een tafel zit.
Laat ze weer rondgaan.

Als ik doodga, wil ik dat iemand naast me komt zitten.
Niet verkrampt of bang.
Gewoon naast me.
Op de rand van het bed, of waar dan ook.

Niet iemand die in het regelen of oplossen schiet,
maar iemand die blijft.
Juist wanneer er niets meer te doen valt.

Ik weet hoe die laatste dagen eruit kunnen zien.
Ik heb zoveel kamers vol liefde gezien
en ook zoveel kamers vol stilte.

Ik heb gezien hoe het lichaam langzaam zijn taal verliest.
Hoe woorden verdwijnen.

En als ik mezelf onderweg kwijtraak,
hoop ik dat iemand me vindt.

Als ik doodga, hoop ik dat niemand haast voelt.
Dat ze niet gaan tellen in uren of dagen.
Niet gaan trekken aan dokters of verpleegkundigen
of het echt niet sneller kan.
Niet gaan denken: “Het zou nu toch wel een keer mogen.”

Sterven heeft zijn eigen tempo.
Het laat zich niet duwen of versnellen.

Koop dan maar een goede fles wijn,
zou ik de omstanders willen zeggen,
en proost.

Als ik doodga, hoop ik dat iemand me blijft aanraken.
Ik heb zo vaak de ongekende waarde van aanraking gezien.

Gewoon om te zeggen:
jij bent er nog, en ik ook.

Ook als woorden zijn weggevallen.
Ook als ik niets meer terug kan geven.

Als ik doodga, hoop ik dat niemand zich verplicht voelt om er te zijn.
Ik hoop dat er geen bezoekschema’s zijn.
Geen waaklijsten.

Wie komt, komt.
Wie wegblijft, blijft niet minder lief.

Nabijheid laat zich niet afdwingen.

Als ik doodga, hoop ik dat mensen me niet beter maken dan ik was.
Laat mijn scherpe randjes bestaan.
Ook mijn fouten.

Wat zei ik vaak onhandige dingen.
Wat heb ik stomme acties gedaan.
En ja, ik heb mooie kansen gemist.
Pech.

Als ik doodga, wil ik dat niemand denkt dat hij het verkeerd heeft gedaan.
Geen eindeloos “Hadden we…?”

We hadden niets.
We hadden elkaar.
Dat was genoeg.

Ik hoef geen perfecte laatste woorden.
Geen zorgvuldig gecomponeerde slotzin.

Het leven is zelden rond.
De dood maakt het niet opeens literair kloppend.

Soms eindigt een verhaal midden in een zin.
Soms op een dinsdag.
Soms zonder dat je er klaar voor was.

Als ik doodga, hoop ik dat de mensen die van me houden
daarna niet te snel weer normaal hoeven te doen.

Verdriet en rouw zijn geen problemen die opgelost moeten worden.
Het is iets wat je meedraagt.
Soms zwaar.
Soms onverwacht licht.

Soms midden in een kamer vol mensen.
Of ineens buiten, op weg naar de trein.

Ik hoop zo dat het er dan gewoon even mag zijn.

Als ik doodga,
laat het leven dan tot het einde
gewoon leven zijn.

En als het stil wordt,
laat het dan stil zijn.

Omdat het genoeg was.