Vorige week was ik in Varanasi, een van de oudste steden ter wereld, gelegen aan de Ganges in Noord-India. Ik kende de stad uit boeken en documentaires, maar niets had me voorbereid op wat ik daar werkelijk zou zien, voelen en ruiken.
Varanasi is voor hindoes een heilige plek om twee redenen. Allereerst is de Ganges een heilige rivier. Men gelooft dat het water genezend werkt: een paar druppels per dag zouden je van al je kwalen kunnen verlossen. Gelovigen dompelen zich onder om hun zonden af te wassen. Ooit had dit geloof zelfs een wetenschappelijke basis: het snelstromende, zuurstofrijke water maakte het moeilijk voor bacteriën en muggen om te overleven.
Tegenwoordig is die zuiverheid echter aangetast. Industrie, overbevolking en dammen hebben de rivier zwaar vervuild en op sommige plekken bijna stilgezet. Heilig én kwetsbaar tegelijk – net als het leven zelf. Die paradox raakte me meer dan ik had verwacht.
De tweede reden waarom Varanasi zo bijzonder is, heeft te maken met het levenseinde. Hindoes geloven dat wanneer iemand na overlijden aan de oever van de Ganges wordt gecremeerd en de as in de rivier wordt verstrooid, de cyclus van reïncarnatie en karma wordt doorbroken. De ziel is dan vrij. Daarom brengen veel ouderen hier hun laatste dagen door, vaak samen met hun familie, in een hospice (het “House of Salvation”) of simpelweg in een kamer met uitzicht op de rivier. Sterven gebeurt hier niet verstopt, maar zichtbaar, midden in het leven van de stad.
Na overlijden wordt het lichaam op een versierde brancard naar de Manikarnika Ghat gedragen, de grote crematieplaats aan de rivier. Families kopen hout en wierook – zo’n 400 kilo in totaal – om het ritueel mogelijk te maken. Ook zetten zij mannen uit de laatste kaste in, de zogeheten ‘onaanraakbaren’, om de vuren dag en nacht te onderhouden. Het is zwaar werk, maar het levert goed karma op omdat zij de doden dienen.
Wat me vooral trof, was niet alleen het ritueel zelf, maar de houding eromheen. In het hindoeïsme is overlijden geen tragedie, maar een overgang. Natuurlijk is er verdriet om het verlies, maar ook een gevoel van bevrijding: het lijden is voorbij. Het begeleiden van een stervende geliefde is geen last, maar een heilige taak die juist betekenis geeft. Overgebleven bezittingen worden weggegeven – bewaren zou ongeluk brengen.
Elke avond vindt de Ganga Aarti-ceremonie plaats, bezocht door duizenden mensen. Priesters zingen mantra’s, draaien met vuur en eren de eeuwige vlam die al sinds mensenheugenis brandt. Ik zat in een bootje op de rivier, omringd door rook, gezang en flakkerende lichten. Samen met een priester lieten we schaaltjes met bloemen en brandende kaarsjes op het water drijven, als zegen voor overleden zielen.
Ik merkte dat ik stil werd. Niet angstig – eerder diep geraakt. Hier werd de dood niet weggestopt, maar gedragen, gedeeld en betekenis gegeven.
Als palliatief zorgverlener in Nederland moest ik onvermijdelijk vergelijken. Wij zijn uitstekend in pijnbestrijding, comfort en medische begeleiding. Maar sterven vindt bij ons vaak plaats achter gesloten deuren, in stille kamers, ver weg van het publieke leven. We spreken er voorzichtig over, soms zelfs ongemakkelijk.
In Varanasi zag ik iets wat je zou kunnen noemen: proactieve zorgplanning die al bij de geboorte begint – niet in formulieren, maar in cultuur. Iedereen weet: je komt, je gaat, en hoe je gaat doet ertoe. Leven en dood zijn geen tegenpolen, maar met elkaar verweven.
Dat betekent niet dat wij deze rituelen moeten overnemen. Maar ik denk wel dat we ervan kunnen leren. Misschien mogen wij de dood iets zichtbaarder maken, meer ruimte geven aan rituelen, aan zingeving en aan samenzijn. Niet alleen praten over medische keuzes, maar ook over wat een goed levenseinde voor iemand betekent.
Wat me ook raakte, was de vanzelfsprekendheid van zorg. Familie blijft, buren helpen, vreemden bidden mee. Zorg is hier niet alleen professioneel, maar collectief. In Nederland proberen we die rollen vaak strikt te scheiden – soms ten koste van warmte en verbondenheid.
Terug in Nederland denk ik anders over mijn werk. Minder alleen als medisch begeleider, meer als iemand die mensen helpt betekenis te geven aan hun laatste fase van het leven. Want palliatieve zorg gaat niet alleen over minder pijn, maar ook over meer betekenis.
Varanasi liet me zien dat goede zorg aan het levenseinde niet alleen draait om een goede dood, maar om een goede relatie met de dood. Wie haar durft aan te kijken, kan milder leven en zorgzamer liefhebben.
En terwijl mijn kaarsje langzaam in de donkere Ganges verdween, besefte ik opnieuw: we komen en we gaan. Maar hoe we voor elkaar zorgen onderweg – dát is wat werkelijk blijft.
De ambassadeurs van het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) zijn ervaringsdeskundige patiënten, naasten en zorgverleners. Zij brengen unieke perspectieven en inspirerende verhalen die raken en impact maken. Zij zetten hun kennis en ervaring graag in om palliatieve zorg samen met jou te verbeteren. Meer informatie? Klik hier