Nieuws Columns Webinars Congressen Opleidingen Podcast Forum
Alle resultaten

Gewoon mijn werk

24.05.2026 2:00 's ochtends
Gewoon mijn werk
Sander de Hosson
Longarts, spreker en schrijver; mede-oprichter Carend
In de zorg spelen kleine woorden of zinnen een belangrijke rol.

‘Ik vertrouw het niet.’

Bij dat soort uitspraken spits ik mijn oren. Dit is een zin waar je als dokter naar moet luisteren. Altijd. Niet omdat verpleegkundigen nooit ongelijk hebben, maar omdat hun ongerustheid vrijwel nooit uit het niets komt.

Verpleegkundigen en verzorgenden kennen de kleine verschuivingen. Een andere kleur in het gezicht. Als ademen werken wordt. De waarneming dat een familie gaat fluisteren.

Ik sta bij de balie met mijn hoofd nog half in andere problemen. Een bloeduitslag die tot actie dwingt. Een ontslagbrief die af moet. Een patiënt die naar huis wil terwijl daar niemand is.

‘Wie?’ vraag ik, terwijl ik het ook wel weet.

Ze noemt zijn naam. Een man van eind zestig met longkanker die in de laatste fase van zijn leven is. ‘Best supportive care’, noemen we dat dan.

Hij is opgenomen met benauwdheid en pijn en we hebben een morfinepomp gestart om deze klachten te verlichten. Gisteren hebben we nog gesproken over naar huis gaan. We moeten dan wel de thuiszorg geregeld hebben. En het bed moet naar beneden, want de trap zal hij nooit meer op kunnen. De transferverpleegkundige is ermee bezig. Maar het is belangrijk. Misschien kan hij nog één keer in zijn eigen stoel zitten, naast het raam waar hij altijd naar de vogels kijkt.

‘Hij is anders,’ zegt ze.

Anders. Ook zo’n woord. Anders is niet medisch genoeg voor een protocol of richtlijn, maar precies genoeg voor de werkelijkheid.

Ik loop met haar mee. In de kamer zit zijn vrouw naast hem op het bed. Niet meer op de stoel waar ze de afgelopen dagen steeds heeft gezeten, maar half op de rand van het matras. Dat zie ik eerst. Daarna zie ik hem pas.

Hij ligt achterover met zijn ogen halfopen. Zijn mond is iets geopend. Zijn ademhaling is niet snel, maar wel veranderd. De teugen zijn dieper. Verder weg.

Zijn vrouw kijkt naar ons.
‘Hij reageert niet goed meer op mij,’ zegt ze.

De verpleegkundige gaat niet meteen aan de pomp zitten. Ze buigt zich naar hem toe en zegt zijn naam. Rustig. Duidelijk. Daarna legt ze haar hand even op zijn schouder.

‘Ik ben bij u,’ hoor ik.

Ik kijk naar het zuurstofslangetje, zijn ademhaling, zijn handen boven de deken. Ik zie geen angst, niet bij hem en niet bij zijn vrouw. Maar ik zie wel de kanteling in de situatie. Zijn lichaam neemt een afslag. Hij is aan het sterven.

Ik ga zitten naast zijn vrouw en leg uit wat er gebeurt. Dat zijn lichaam verder achteruitgaat. Ook dat hij waarschijnlijk niet meer naar huis kan. Dat heeft geen zin meer. Hij zal het zelf niet meer meemaken en een transport kan vervelend zijn door de verplaatsingen.

Zijn vrouw kijkt naar mij, maar haar ogen zoeken de verpleegkundige. Dat zegt veel.
Want ik ben degene die de medische woorden spreekt, maar zij is degene die de afgelopen tijd elk uur binnen is geweest. Zij helpt hem draaien. Zij verzorgt zijn mond. Zij verhoogt de pijnmedicatie volgens afspraak. Zij trekt de lakens recht zonder hem wakker te maken. Zij brengt zijn vrouw koffie om half vier ’s nachts. Zij opent de gordijnen een beetje als de ochtend komt.

Zij kent de kamer. Ik kom erin. Dat is een verschil.

In de uren die volgen doet zij wat verpleegkundigen in de stervensfase zo vaak doen. Het licht dempen, een extra stoel neerzetten voor de dochter die onderweg is, een nat gaasje langs zijn lippen halen, zijn vrouw vragen of ze iets wil eten, en haar nee accepteren zonder gedoe.

Ze kijkt naar hem, steeds opnieuw, maar met aandacht. Als zijn ademhaling onrustiger wordt, vraagt ze me er weer bij. Niet te vroeg, niet te laat. Precies op tijd. We overleggen over medicatie. Zij geeft het.

Zijn vrouw zegt: ‘Hoe weet u nou steeds wat er nodig is?’

De verpleegkundige haalt haar schouders een beetje op.
‘Ik kijk goed,’ zegt ze.

Ik kijk goed.

Dat is misschien wel de meest onderschatte zin in de zorg. We doen graag alsof goede zorg vooral bestaat uit beslissingen. Uit beleid en interventies. Uit behandelingen die gestart of gestopt worden. En natuurlijk is dat belangrijk. Maar aan een sterfbed wordt zorg vaak gedragen door iets veel preciezers: iemand die goed kijkt.
Die ziet dat de ademhaling verandert. Die hoort dat de familie klaar is met vragen stellen en behoefte heeft aan stilte. Die merkt dat een man niet bang is voor de dood, maar om te stikken. Die begrijpt dat een dochter boos doet omdat ze niet weet wat ze met haar verdriet aan moet. Die weet dat je soms geen uitleg moet geven, maar een raam moet openen. Die voelt wanneer er koffie moet komen. En ook wanneer juist niemand de kamer meer in moet.

Op dat moment komt zijn dochter binnen. Ze is te laat om nog echt met hem te praten, maar op tijd om er te zijn. In de deuropening blijft ze staan, alsof ze de kamer niet durft binnen te stappen. De verpleegkundige loopt direct naar haar toe. Niet met grote woorden, wel met een zachte stem.

‘Kom maar. Hij is rustig.’

Daarin zit alles. Het biedt geen valse geruststelling. Geen medische samenvatting. Geen zin als: hij krijgt er niets meer van mee, want dat weten we nooit helemaal. Alleen dat ene zinnetje: kom maar, hij is rustig.

De dochter loopt naar het bed en begint te huilen voordat ze hem aanraakt.

‘Ik weet niet wat ik moet doen,’ zegt ze.

‘U hoeft niets te doen,’ zegt de verpleegkundige. ‘U mag gewoon bij hem zijn.’

Daarna pakt ze een stoel en zet die zo neer dat de dochter dichtbij kan zitten zonder zich onhandig over het bed te buigen. Ze schuift de infuuspaal een stukje opzij, legt de deken iets netter en maakt daarmee de kamer menselijker. Het zijn kleine woorden en handelingen, bijna onzichtbaar, maar aan een sterfbed zijn details de essentie.

Ik blijf op de achtergrond staan en voel weer die aloude waarheid: in de laatste levensfase is de verpleegkundige vaak degene die het sterven draagt. Niet alleen praktisch, maar ook moreel. Zij is de constante in een zorgsysteem dat uit fragmenten bestaat. Dokters komen en gaan, families raken uitgeput, maar verpleegkundigen bewaken de bedding.

Zij houden het lichaam schoon, de mond vochtig, de pijn draaglijk, de familie overeind en de kamer menselijk. Vaak gebeurt dat bijna ongemerkt. Een stoel op de juiste plek. Een hand op een schouder. Een deur die even dicht blijft.
Maar aan een sterfbed zijn dat geen bijzaken. Dat is de zorg zelf.

Als hij later die middag overlijdt, ben ik niet op de afdeling. De verpleegkundige belt me.

‘Hij is net rustig overleden,’ zegt ze.

Rustig. Ook dat is geen toevallig woord. Ze vertelt dat zijn vrouw en dochter erbij waren. Dat zijn ademhaling langzaam is weggegaan. Dat er geen paniek was. Dat ze de tijd hebben genomen.

Als ik later kom om de dood vast te stellen, is het stil in de kamer. Zijn vrouw zit naast hem met beide handen om zijn hand. De dochter staat bij het raam, precies op de plek waar eerder zijn vrouw zat toen alles begon te kantelen.

Ik stel de dood vast, condoleer hen en vraag hoe het is gegaan.
Zijn vrouw antwoordt meteen.
‘Ze was geweldig,’ zegt ze. Ze knikt naar de verpleegkundige.

Die kijkt weg, bijna verlegen. Zoals verpleegkundigen vaak doen wanneer iemand hardop zegt wat eigenlijk veel vaker gezegd moet worden.
‘Ik deed gewoon mijn werk,’ zegt ze.

'Gewoon'.
Dat woord blijft hangen terwijl we samen de kamer uit lopen.

Alsof het gewoon is om te zien dat iemand verandert voordat iemand anders het ziet. Alsof het gewoon is om een familie door de laatste uren heen te dragen. Alsof het gewoon is om te weten wanneer je iets moet zeggen, wanneer je moet zwijgen, wanneer je medicatie moet geven, wanneer je een stoel moet verschuiven en wanneer je alleen maar aanwezig moet blijven.

Op de gang zeg ik tegen haar: ‘Goed gezien vanmorgen.’

Ze haalt haar schouders op. ‘Hij veranderde gewoon.’

Daar gebruikt ze dat woord weer.

Maar het was niet gewoon. Het was ervaring. Aandacht. Nabijheid. Het was kijken met alles wat je in jaren hebt geleerd, ook met dingen die niet in een of ander protocol passen.
In de laatste levensfase is de verpleegkundige of verzorgende vaak degene die de kamer bij elkaar houdt. Het lichaam, de pijn, de familie, de stilte. Alles wat kan gaan schuiven, wordt door hun handen weer een beetje op zijn plaats gelegd.

Ze noemt dat dan 'gewoon haar werk'.
Maar ik weet heel zeker dat zijn vrouw daar heel anders op terugkijkt.

Reageer

Alleen geautoriseerde gebruikers kunnen een reactie achterlaten
Heb je al een account? Inloggen
subscribe nos
Ja, houd mij ook op de hoogte
nieuws, webinars en meer

Inschrijving ontvangen!

Vanaf nu ontvangt u onze nieuwsbrief.