‘Wij komen niet bij hem binnen. Sinds de kinderarts hem heeft verteld dat hij doodgaat, is de deur op slot. Hij is bang, maar wil er niet over praten.’ Ik hoor de onmacht in de stem van de moeder van de 13-jarige Luuc. Zelf zijn ze ook bang, zij en haar man. Hoe kan het ook anders, als je net te horen hebt gekregen dat je kind snel zal sterven? Sinds drie jaar heeft Luuc kanker. In het ziekenhuis is hij kind aan huis. Hij heeft een licht verstandelijke beperking, maar iedereen kent hem daar vanwege zijn grapjes. Het is zo’n kind dat de dag plukt, het leven neemt zoals het komt. Tot vorige week, toen bleek dat de ziekte in alle hevigheid was opgerukt, tegen alle hoop en behandelingen in. Niets bleek opgewassen tegen dit geweld. ‘Dan nemen we hem nu mee naar huis’, was de reactie van zijn ouders, waarna de deur van het ziekenhuis definitief achter hen dichtviel.
Hoe zal Luuc me ontvangen? Er kleeft altijd iets onheilspellends aan mijn komst, iets dat de meeste zieke kinderen liever vermijden. Ik weet dat ik tijd nodig heb om aan het vertrouwen te bouwen, maar is er genoeg tijd deze keer?
Hij ligt in de woonkamer, in een ziekenhuisbed. Lopen gaat al niet meer. Als ik hem een hand geef, kijkt ie me twee tellen aan, waarna zijn ogen terugschieten naar zijn iPad. ‘Hij kijkt graag cartoons, het liefst de hele dag’, vertelt zijn moeder. Gelukkig maakt hij meteen plaats als ik vraag of ik naast hem op bed mee mag kijken. ‘Lust je een koekje? Daar staan kletskoppen, mijn lievelings.’ Zonder te kijken wijst hij naar het tafeltje naast zijn bed. We nemen er allebei één en ik begrijp meteen waarom kletskoppen zijn lievelingskoekjes zijn. Hij kletst honderduit en laat me het ene na het andere filmpje zien: welke zijn lievelingsfiguren zijn en om welk filmpje hij het hardst moet lachen. Er is nauwelijks oogcontact, maar desondanks geen enkel ijs te bespeuren dat gebroken moet worden.
Terwijl de cartoons zorgen voor een veilige sfeer vraag ik tussendoor voorzichtig hoe hij hier thuis in bed is beland, wat eraan voorafging en wat de dokter hem verteld heeft. ‘Ik weet heel goed
wat ze heeft gezegd, maar daar wil ik niet over praten. Ik heb het in een laatje gestopt in mijn hoofd en daar ligt het goed. Punt uit!’ Het is de poortwachter die het woord heeft genomen en die de toegang tot het laatje bewaakt om niet overspoeld te raken door een allesoverheersende paniek. Behoedzaam vraag ik hoe het hem helpt om het in een laatje te stoppen. ‘Dan hoef ik er tenminste niet meer aan te denken’, antwoordt hij. En of het laatje groot genoeg is om alles in weg te stoppen. ‘Nou, eigenlijk niet’, zegt hij, zijn ogen nog altijd op de iPad gericht, ‘want de kast raakt steeds voller.’ Intussen zie ik op het blauwe scherm hoe Spiderman een jongen redt, hangend aan een dakgoot. ‘Kwam Spiderman jou ook maar redden’, denk ik hardop. ‘Ja, dat zou wel mooi zijn’, zegt hij. Even blijft het stil.
Dan vertel ik hem dat ik met kinderen praat die weten dat ze doodgaan, net zoals hij. Zijn nieuwsgierigheid wint het van Spiderman, want hij kijkt me recht in mijn ogen. Voor het eerst. Ik
vraag hem of hij het goed vindt dat ik af en toe even op bezoek kom om te praten over het laatje in zijn hoofd. En dat ik hem graag wat vertel over die andere kinderen, die ook zo’n laatje hebben. Hij stemt in. Als ik wegga, zwaait-ie me na. Ik heb de eerste en moeilijkste ronde doorstaan: ik mag terugkomen.
Een paar dagen later stap ik voor de tweede keer bij Luuc binnen. Ik begroet hem en laat hem mijn koude handen voelen. Hij schrikt, zijn handen zijn juist zo warm. En dat doet mij schrikken: zijn handen zijn eigenlijk té warm. Hij biedt me een kletskop aan. De koektrommel staat onaangeroerd naast hem op een tafeltje. ‘Ik hoef er geen’, zegt hij. Zijn moeder vertelt dat hij nauwelijks meer eet. Zijn lijf raakt op, het is hem aan te zien, terwijl het nog maar een paar dagen geleden is dat ik hem voor het eerst ontmoette. Zijn humor en levenslust is hij gelukkig bij lange na nog niet kwijt. Ik schuif naast hem op het bed en beland in een verhaal met buitenaardse Transformers die als barbaren een hele stad vermorzelen. Hoe symbolisch, schiet het door me heen.
Dan haal ik een keer diep adem en vraag hem of hij misschien weet wat er gebeurt als iemand doodgaat. Ik bereid me voor op een vluchtreactie, maar hij zegt: ‘Ja, dan verander je in een skelet.’ Die laat ik even op me inwerken. Ja, denk ik, zo gaat dat in cartoons: de dode verandert in een skelet om daarna levende mensen de stuipen op het lijf te jagen. Maar iets in mij zegt me dat er een stukje in zijn beeld ontbreekt. Als ik voorzichtig doorvraag, blijkt dat ook: in zijn beleving is sterven een bliksemsnelle transformatie van een levend lichaam naar een skelet. Net zoals zijn Transformers ineens veranderen van een robot in een dier of een auto.
Hoe beangstigend moet dat wel niet zijn, als dat in één keer, plotsklaps, met je gebeurt? Als ik hem vertel dat doodgaan toch echt een beetje anders gaat, is hij hoogst verbaasd. Zorgvuldig zoek ik naar woorden om hem een beeld te geven van hoe sterven kan gaan, wat de dokter kan doen om te zorgen dat hij geen pijn heeft en hoe hij eruitziet als hij dood is. Dat hij er dan net zo uitziet als nu. Behalve dan dat hij niet meer kan zien, niks meer kan horen. Dat hij koud aanvoelt en alles wat er verder nog bij hoort, én dat hij geen pijn meer heeft. Hij zuigt al mijn woorden op. Het kan hem niet concreet genoeg zijn. En ik bespeur een gevoel van opluchting. Al weet ik niet zeker of dat wellicht ook de wens van mijn gedachte is. Maar het klinkt voor hem in ieder geval minder eng.
Blijft nog wel de vraag over wat er gebeurt na ‘dat doodgaan’. Zijn ouders hebben hem al verteld dat ze hem zijn lievelingskleren aan zullen trekken, in een kist leggen en hem cremeren. Maar dat hij toch voor altijd bij hen blijft. ‘Maar waar bén ik dan?’ vraagt hij me. ‘Ik weet dat ook niet precies’, zeg ik, ‘eigenlijk weet niemand dat precies. Iedereen heeft daar zijn eigen idee over.’ ‘Wat dan?’ wil hij weten. Ik haal een map uit mijn tas en laat hem wat tekeningen zien van kinderen die in beeld brachten wat zij dachten dat er na de dood zou zijn. De tekeningen laten verschillende variaties zien op een hemel, ronddwalende geesten en mensen die terugkeren als dieren. Vooral de vlinder is populair. Eén tekening spreekt Luuc aan. Het is een plaatje van een heelal met een grote blauwe planeet met huizen erop. In die huizen wonen alle mensen die zijn doodgegaan. ‘Ja’, zegt hij. ‘Dat lijkt me wel wat, dat ik daar dan heen ga. En weet je bij wie ik dan als eerste op de koffie ga als ik daar ben?’ Nog enigszins beduusd van zijn plotselinge alertheid kijk ik hem vragend aan. ‘Freddie Mercury’, antwoordt hij enthousiast. ‘Ja, dat lijkt me vet!’ Ik schiet in de lach.
Een paar weken later sterft Luuc, thuis, in zijn bed in de woonkamer, omringd door zijn ouders. Tijdens het afscheid vertellen zijn ouders hoe hij zonder angst losliet. In haar blik zie ik hoe troostend dit voor hen is. Als ik daarna in de auto stap scroll ik in mijn mobiel tot ik vind wat ik zoek. Ik draai de volumeknop open en als ik Freddies stem hoor, fluister ik tegen Luuc: ‘Hee, als je bij Freddie op de koffie gaat, vergeet dan de kletskoppen niet!’
Dit verhaal verscheen eerder in het boek Ankerplaats (samengesteld door Riet Fiddelaers-Jaspers).
Op woensdag 20 mei organiseert Carend in Van der Valk Utrecht het congres ‘Game Over’ — een bijzondere middag over hoe kinderen omgaan met dood en verlies, en hoe wij als volwassenen daar met hen over kunnen praten. Lees hier verder.