Op 12 mei, de Dag van de Zorg, is het boek 'Op Handen' van auteur Christine Ros gelanceerd in ziekenhuis St Jansdal. Het boek laat zien wie de mensen zijn achter de zorg en waarom zij dag in dag uit klaarstaan voor anderen. Metta Bunk, verpleegkundig specialist palliatieve zorg en docent en zorgdrager van Stichting Samen Carend, vertelt ook haar verhaal in het boek:
'Metta Bunk
verpleegkundig specialist palliatieve zorg
Het is niet het einde waar Metta zich elke dag mee bezighoudt. Zij zet zich in voor het laatste stukje leven. Precies op het kantelpunt waar genezen niet meer kan, maar zorgen nog alles betekent. Wie Metta aan het bed krijgt, begint aan het laatste hoofdstuk. Het deel waar het moraal zit, waar een rond einde aan geschreven mag worden om met een goed gevoel het boek te sluiten. Voor de patiënt zelf, maar ook voor de naasten.
Haar agenda stuurt haar met stevige tred door de gangen. Een dagelijkse storm aan afspraken doet haar door het hele ziekenhuis waaien. Maar zodra de deur opengaat, daalt een zeldzame sereniteit neer als een diepe, zuurstofrijke adem. Ze laat de drukte buiten en zet de klok stil. Nu is er alleen aandacht en tijd, een zucht van verlichting, een hand vol warme zorg.
Vanmorgen mag ze die hand reiken aan een jonge vrouw met ernstige obstipatie en hevige buikpijn. Alle laxeermiddelen zijn geprobeerd. “Misschien kun jij nu meer betekenen dan ik,” zei de internist-oncoloog toen hij haar in alle vroegte belde. Het is tijd om te zoeken naar iets anders dan medicatie. Naar iemand anders, om precies te zijn.
Met een vriendelijke lach schuift Metta een stoel naast het bed. “Dichtbij zitten betekent nabij zijn. Dat is belangrijk. Ik maak echt tijd om te vragen: hoe gaat het vandaag met u? En: wat moet ik van u als mens weten?” Metta ziet niet de ziekte, ze kijkt naar de persoon. Niet alleen het dossier, maar het verhaal eronder.
“Goedemorgen, ik ben Metta, verpleegkundig specialist palliatieve zorg,” stelt ze zich voor met een uitgestoken hand. Direct volgt de vraag: “Ga ik nu dood dan?” De stem van de vrouw klinkt breekbaar. “Nee, niet meteen,” antwoordt Metta eerlijk. “Maar u wordt niet meer beter. En ik wil graag met u kijken naar hoe u wilt dat uw laatste stuk leven eruitziet. Wat heeft u nodig? Waar worstelt u mee?”
De stroom aan vragen, de tijd van zwijgen en de warme blik doet haar blokkade langzaamaan naar het oppervlakte drijven: bijna volwassen kinderen. Want hoe laat je twintigers los? Hoe zorg je dat ze later nog iets van je bij zich dragen? Dat zij zich niet verdrinken in verlies of het gevoel hebben dat ze in de steek zijn gelaten…
Angst en aandacht
Praten over leven en dood lijkt makkelijk, maar in de praktijk is het allesbehalve eenvoudig, onderstreept Metta de waarheid. Zelf vindt ze het niet moeilijk. Ze wil het juist hebben over dat wat blijft hangen in een schreeuwde stilte: angst om dood te gaan. “Veel mensen zijn eigenlijk niet eens bang voor de dood zelf,” weet ze na jarenlang ervaring. “Wel voor de weg ernaartoe. Dat is míjn stuk. Dan vraag ik: waar bent u bang voor? Vaak hoor je: voor pijn. Om te stikken. Of: ik ben bang dat ik geen goed afscheid kan nemen.”
Die angst legt ze voorzichtig op tafel, bekijkt hem samen met patiënt en naasten. Niet om hem weg te poetsen, maar om hem te verkleinen. “Als je gevoelens blijft verzwijgen, groeit de angst vanzelf. Door het uit te spreken, laat je er lucht bij. Dan kunnen we ook echt iets doen: medicatie aanpassen, beter slapen, plannen maken voor afscheid en bovenal nog even léven.”
En dan is er nog iets dat veel te vaak een dikke mist optrekt tussen leven en dood: zodra duidelijk is dat iemand niet meer beter wordt, stort iedereen zich op… de uitvaart. “Het hele systeem om de patiënt heen gaat dan nadenken: hoe moet de begrafenis eruitzien? Welke muziek, welke kist? Ik snap dat, echt. Maar ik zeg vaak: praat er één keer een half uur goed over, leg het vast met een uitvaartverzorger en zet het daarna letterlijk in de kast. Dan heb je de dood ook even weggelegd. Je bent namelijk nog in leven. En dat stukje leven mag intens zijn. Mag goed zijn.”
Eerst de mens, dan de dood
Metta buigt iets naar voren. Tranen hebben hun weg gevonden en de obstipatie van de jonge vrouw lijkt al pratend en zwijgend los te weken. Alsof het lichaam eindelijk luistert naar wat het hart al wist: dat spanning zich kan vastzetten waar woorden ontbreken. En precies zoals de geest een blokkade kan bouwen, zo kan diezelfde geest haar ook afbreken. Laag voor laag, adem voor adem.
Dankbaar pakt de vrouw de handvatten aan die Metta haar aanreikt, om weer grip te krijgen op de galop die haar leven heeft genomen.
“Er is een prachtig initiatief, Stichting Komma, die ouders voort laat leven zodat er geen punt hoeft te worden gezet,” zegt Metta. “Wat denk je ervan om voor jouw kinderen ook zo’n levend dagboek te maken? Alles wat belangrijk is om te delen leg je met hen vast, in beeld en geluid. Kosteloos.”
Haar oog valt op drie boeken op het nachtkastje naast het ziekenhuis bed. “Ik zie dat je van lezen houdt?” “Jazeker, dat is mijn grote hobby.” “En je kinderen?” Ze knikt, ook zij duiken graag in de wondere wereld van woorden.
“Is het een idee dat je jouw favoriete boeken aan hen geeft, met daarin waarom jij ‘t zo’n bijzonder werk vindt? Schrijf er iets in over jezelf, waarom het je raakt.” Glunderend grist de vrouw haar tablet uit het laatje naast haar. Ze scrolt door de online boekenwinkels en zonder twijfel, maar juist met een zelfverzekerdheid die zich lange tijd in de schaduw heeft schuilgehouden, besteld ze de lectuur. De weken die volgen vult ze haar missie aan met kleine kookboekjes vol favoriete recepten en persoonlijke aantekeningen. Deze naslagwerken worden de mooiste ingrediënten voor dat korte stukje leven van haar en het langdurige verlies dat haar kinderen straks zullen dragen.
“En zo ga je bij iedere patiënt na wat je voelt, wat je ziet, wat je aftast, want je bent betrokken”, concludeert Metta. Ze werkt met protocollen die ze kent, maar altijd vanuit de intuïtie die ze vertrouwd. “En altijd vanuit de vier pijlers van palliatieve zorg: lichamelijk, psychisch, sociaal en existentieel. Het kan gaan over pijn, benauwdheid of misselijkheid, maar net zo goed over angst, geloof, gezin, werk, schuldgevoel of spijt. Vanuit die vier domeinen kijken we: waar zitten de gaten?”
Wat de dood haar leerde over leven
Niet iedereen krijgt de tijd om langzaam naar het einde toe te groeien. Soms komt de dood onverwacht binnen, via de spoedeisende hulp. Een bloeding, een insult, een long vol vocht en een familie die het niet had zien aankomen.
“Dan kan het ineens heel snel gaan,” zegt ze. Ze buigt zich naar een dochter die verstijfd naast het bed staat. Metta pakt haar hand. “Zeg nu maar tegen je vader dat je van hem houdt. Bedank hem waarvoor je hem wil bedanken. En houd hem goed vast.” De woorden komen aarzelend, bijna gehoorzaam: “Papa, ik hou van je. Dank je wel voor echt alles.”
“Je ziet dan iets gebeuren,” vertelt Metta later. “Bij degene die sterft, maar ook bij de naaste. Als iemand in jouw armen overlijdt, helpt dat enorm in het rouwproces. Dan kun je later zeggen: ik was erbij. Ik heb hem vastgehouden. Ik ben niet weggerend.”
Wanneer ze die familie later nabelt, hoort ze het vaak terug: “Wat goed dat je zei wat ik moest doen,” zeggen ze. “Ik had het zelf niet bedacht. Ik wilde eigenlijk vluchten. Maar nu ben ik zo blij dat ik het gedaan heb.”
Er is geen handleiding voor wat Metta doet. Geen vaste volgorde, geen gebruiksaanwijzing voor troost. Bij de jonge vrouw die weet dat ze haar kinderen niet meer zal zien opgroeien, gaat het gesprek niet over ziekte, maar over nalaten. Bij een familieruzie rondom het sterfbed gaat het niet over wie er gelijk heeft, maar over wie elkaar nog durft vast te houden. Als het leven onverwacht en eerder stopt, moet je je niet laten insluiten door sterfte, maar ruimte maken om te leven.
“Soms ben je bemiddelaar,” glimlacht ze. “Soms schouder, soms praatpaal, soms pispaal. Mensen moeten hun emotie ergens kwijt. Soms breng je humor in, en soms pink ik zelf ook een traantje weg.”
Engeltje
Metta doet dit werk al bijna dertig jaar. En als je dan bedenkt dat ze gemiddeld één overlijden per dag begeleidt, is het niet moeilijk in te schatten dat ze al bij duizenden mensen mocht ‘meeleven’. In de breedste zin van het woord.
Ze heeft inmiddels een rugzak vol ervaring, de beste medische kennis en een hart vol ruimte en ideeën. “Ja en ik heb een tas vol engeltjes bij me, sleutelhangers. Als ik zie dat een patiënt, een naaste of een dokter dat nodig heeft geef ik er één. Als tastbaar gebaar. Om kracht of moed te geven als de achterblijvers verdrietig zijn. Aan het personeel, die jonge talenten die veel hebben geleerd maar niet over palliatieve zorg. Eng is het dan in het begin. En ik geef ze altijd aan mijn patiënten om ze te bedanken voor alles wat ik van hen krijg. De mooiste gesprekken, dankbaarheid en wat leer ik veel van ze.”
Ze vertelt over die eerste keer, toen ze pas begon in de thuiszorg. Zij was begin twintig, hij zestien. “Hij ging sterven en ik vond dat zó erg. Ik snapte het niet. Toen zei hij: ‘Het zou pas erg zijn als mijn dood jou niks zou doen. Dan zou ik voor niks overlijden.’ Sindsdien neem ik iedereen een beetje met me mee. Niet zwaar, maar als les. Alles wat ik van hen leer, gebruik ik om de volgende patiënt beter te begeleiden. Ik geloof dat wat we doen, blijft. In de herinnering van wie achterblijven, in de rust waarmee iemand mag gaan.”
Als de dag ruimte maakt voor de nacht maakt Metta haar ronde. Met in haar ene hand kracht en in de andere kwetsbaarheid. Het houdt haar en haar werk, in balans.
“Er zit schoonheid in dit vak,” zegt ze. “Niet in wat je redt, maar in wat je verzacht.” Ze zet haar tas neer, kijkt nog één keer om naar de gang waar het licht zacht op de vloer valt.
“De dood hoort bij het leven,” zegt ze. “Maar zorg hoort bij de liefde. En liefde, die blijft.” '

Het boek Op Handen is verkrijgbaar bij een donatie van € 25 aan de Stichting Vrienden van het St Jansdal. De volledige opbrengst komt ten goede aan extra voorzieningen voor patiënten. De missie van de Stichting Vrienden van St Jansdal is het bevorderen van het welzijn van de patiënten van het ziekenhuis. Met behulp van donaties, giften en schenkingen van instellingen, bedrijven en particulieren ondersteunen de Vrienden van het St Jansdal extra voorzieningen die het verblijf van patiënten zo aangenaam mogelijk maken en die niet uit de reguliere budgetten kunnen worden gefinancierd.