Dichter, schrijver en filosoof Lieke Marsman is overleden. Ze werd 35 jaar. Uitgeverij Pluim maakte bekend dat zij is gestorven aan de gevolgen van een zeldzame vorm van kanker. Marsman was tussen 2021 en 2023 Dichter des Vaderlands en groeide in die jaren uit tot een van de meest eigenzinnige en indringende stemmen van de Nederlandse literatuur.
Haar werk ging over grote thema’s: klimaat, politiek, lichaam, ziekte, liefde, dood en hoop. Maar nooit als abstracte begrippen. Bij Marsman werden die thema’s concreet. Ze kwamen terecht in het ziekenhuisbed, in de spreekkamer, in de scan, in het gesprek met een arts, in de vraag hoeveel leven een mens nog kan opeisen als genezing niet meer mogelijk is.
In 2018 kreeg Marsman de diagnose kraakbeenkanker. In 2020 bleek de ziekte uitgezaaid. Over haar ziekte schreef zij eerder al in De volgende scan duurt vijf minuten, en later in Op een andere planeet kunnen ze me redden, een boek met essays en dagboekfragmenten over leven met de wetenschap dat je niet meer beter wordt.
Juist dat laatste boek maakt haar ook belangrijk voor iedereen die werkt in de palliatieve zorg. Niet omdat Marsman een eenvoudig pleidooi hield vóór palliatieve zorg. Integendeel. Ze was er soms hard, boos en kritisch over. En precies daarom zouden zorgverleners haar moeten blijven lezen.
Marsman beschreef hoe zij zelf moest ontdekken dat zij ongeneeslijk ziek was. Niet omdat een arts haar dat helder had verteld, maar omdat zij zelf medische literatuur opzocht. In haar boek schrijft zij dat haar behandelaren jarenlang niet expliciet over haar levensverwachting spraken, terwijl zij zelf te bang was om ernaar te vragen.
Dat is misschien wel een van de pijnlijkste lessen uit haar werk. Niet praten over de dood beschermt een patiënt niet vanzelf. Soms maakt zwijgen iemand juist eenzamer. Soms schuift het de zwaarste kennis naar de patiënt zelf, die in stilte moet raden wat iedereen misschien al weet.
Marsman verzette zich ook tegen een vorm van palliatieve zorg die zij ervoer als berusting die haar werd opgelegd. Voor haar was hoop geen bijzaak. Hoop was geen naïviteit. Hoop was een manier om te blijven bestaan. In Op een andere planeet kunnen ze me redden stelt zij de vraag wie eigenlijk mag bepalen wat kwaliteit van leven is. Wat als lijden voor iemand niet automatisch betekent dat het leven zijn waarde verliest? Wat als iemands kwaliteit van leven juist wordt bepaald door de aanwezigheid van hoop?
Daar schuurt haar werk met de zorg. En dat schuren is waardevol.
Want palliatieve zorg wordt vaak omschreven als zorg die niet gericht is op genezing, maar op kwaliteit van leven. Dat is waar. Maar voor patiënten kan die zin ook anders klinken: alsof de strijd voorbij verklaard wordt voordat zij daar zelf aan toe zijn. Alsof “kwaliteit van leven” een nette medische term is voor: we gaan niet meer alles doen. Marsman voelde die spanning scherp aan. Ze verzette zich tegen een systeem waarin artsen, protocollen of maatschappelijke kosten-batenredeneringen te snel lijken te bepalen wat voor een patiënt nog de moeite waard is.
In Medisch Contact werd haar woede op de medische stand besproken, onder meer omdat zij vond dat artsen voor haar bepaalden wat kwaliteit van leven was. Daarbij werd ook haar felle afkeer aangehaald van een palliatief beleid dat zij ervoer als te zacht, te klef, te snel tevreden met comfort terwijl zij nog wilde leven.
Zij zei onder meer: ‘Mijn palliatieve traject was nog maar een paar minuten oud, toen mijn hoofdbehandelaar de woorden Kwaliteit van Leven in de mond nam, gevolgd door het advies dat ik er goed over na moest denken of ik überhaupt nog wel behandelingen wilde ondergaan.’ Dat perspectief vindt zij een weinig subtiele en krenkende duw naar de uitgang: ‘Als ik terugdenk aan die gesprekken, word ik woedend. Er werd me een korset van Quality Adjusted Life Years voorgehouden, en dat had ik maar aan te trekken.’
Dat betekent niet dat Marsman “tegen” palliatieve zorg was. Haar werk vraagt eerder om betere palliatieve zorg. Palliatieve zorg die niet begint met opgeven, maar met luisteren. Palliatieve zorg die niet tegenover behandeling staat, maar naast behandeling kan bestaan. Palliatieve zorg die ruimte laat voor woede, strijdlust, ongeloof, spiritualiteit, humor, wanhoop en hoop. Ook als die hoop medisch gezien klein is.
Voor zorgverleners is haar stem ongemakkelijk, omdat zij ons confronteert met onze goede bedoelingen. Wij kunnen denken dat we iemand helpen door eerlijk te zijn over grenzen, door te spreken over comfort, door het woord kwaliteit van leven te gebruiken. Maar de patiënt kan iets anders horen: dat haar leven al wordt afgeschreven. Dat haar verlangen om langer te leven niet meer serieus genomen wordt. Dat de zorg al een stap verder is dan zijzelf.
Marsman laat zien dat palliatieve zorg niet alleen gaat over pijn, benauwdheid, misselijkheid of rust. Het gaat ook over zeggenschap. Over taal. Over wie de woorden kiest. Over de vraag of hoop mag blijven bestaan, ook wanneer genezing niet meer kan.
Haar dood is een verlies voor de Nederlandse literatuur. Maar ook voor het publieke gesprek over ziek zijn en sterven. Lieke Marsman gaf taal aan iets waar veel patiënten mee worstelen: de behoefte om niet gereduceerd te worden tot prognose, protocol of behandelgrens. Zij wilde niet alleen patiënt zijn. Zij wilde mens blijven. Denkend, schrijvend, verlangend, woedend, hoopvol.
En misschien is dat een belangrijke les voor de palliatieve zorg: goede zorg rond het levenseinde vraagt niet dat wij de hoop van patiënten corrigeren. Zij vraagt dat wij die hoop leren verstaan. Ook als die hoop schuurt. Ook als die hoop ons ongemakkelijk maakt.
Foto: Uitgeverij Pluim/ Tom Cornelissen
Over Lieke Marsman
Lieke Marsman (1990, ’s-Hertogenbosch) debuteerde in 2010 met de dichtbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud. Daarvoor won ze meteen de C. Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Liegend Konijn Debuutprijs. Drie jaar later verscheen De eerste letter.
In 2017 publiceerde ze haar roman Het tegenovergestelde van een mens, door nrc uitgeroepen als een van de beste boeken van deze eeuw. Hierin vervlecht ze proza met poëzie en essayistiek om een groot en actueel thema van deze tijd te kunnen belichten: klimaatverandering. In 2017 verscheen ook Man met hoed, een bundel verzamelde gedichten, waarin ook vertalingen van haar hand zijn opgenomen. In De volgende scan duurt vijf minuten (2018) onderzoekt zij in tien gedichten en een essay hoe een ziek lichaam zich verhoudt tot een zieke wereld. Het is een vurig pleidooi dat oproept om je heen te kijken en je maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen in een gepolariseerde samenleving.
Op de dag van haar benoeming tot Dichter des Vaderlands verscheen In mijn mand (2021), waarin ze de grootste thema’s behandelt die het menselijke bestaan kenmerken: de waarde van het leven en de plek die de dood daarin inneemt. Ze bekleedde de positie van Dichter des Vaderlands tot 2023. Begin 2023 verscheen haar bundel Ter gelegenheid van poëzie, een ode aan de poëzie en het belang van het nauwkeurig gebruiken van de taal, gericht en oprecht. In het publieke debat bracht ze dit in de praktijk. Als essayist in de krant en kernachtig op sociale media was ze een maatschappelijk betrokken commentator. Met humor en scherpte wist ze altijd tot de kern van complexe vraagstukken door te dringen.
In 2025 werd Op een andere planeet kunnen ze me redden gepubliceerd. Dit boek is een filosofische trip tot in de diepten van de menselijke geest, afgewisseld met dagboekfragmenten die beschrijven hoe de dood haar op de hielen zit. Ook werd haar de Constantijn Huygens-prijs toegekend voor haar gehele oeuvre.
Ze ontving op 9 mei 2026 uit handen van burgemeester Femke Halsema de Frans Banninck Cocqpenning voor haar culturele verdiensten en maatschappelijke betrokkenheid.
Op 9 juni 2026 verschijnt haar laatste boek, De dichter en de duivel, waarin de dichter nadat zij een huis heeft gekocht ontdekt dat haar berging toegang biedt tot een ondergrondse wereld, die wordt bevolkt door influencers, politici, opiniemakers en columnisten – en de duivel.