In een kamer achteraan de verpleegafdeling ligt een man van ver in de tachtig.
Hij komt al dagen niet meer uit bed. Zijn vrienden -is geen familie - vertellen me dat dit eigenlijk al weken zo gaat. Een ingewikkelde longziekte haalt hem razendsnel in.
We proberen het nog. Medicijnen aanpassen, stoppen, opnieuw beginnen. Soms lijkt er een kleine verbetering, meestal verandert er niets.
Ik merk dat ik steeds langer bij hem zit zonder iets te kunnen zeggen.
Niet omdat er zoveel te doen is.
Juist omdat er zo weinig te doen valt.
Zijn vrienden zijn er bijna voortdurend. Ze houden zijn hand vast, praten zacht, zitten stil. Iedereen wacht op een gesprek dat al in de kamer hangt.
Dan komt het:
“Dokter, zo wil ik niet langer leven.”
Het klinkt niet als wanhoop, maar als een constatering.
Hij kan niet meer uit bed. Plassen via een slangetje, poepen op een po. Eten is een strijd: een lepel vla, een hap yoghurt. Zijn mond kan het nog net, maar zijn lichaam wil niet meer.
We besluiten te stoppen met actieve behandeling. Geen antibiotica meer, geen plasmiddelen. We richten ons op comfort en verwachten dat hij snel zal overlijden.
Maar dat gebeurt niet.
Elke dag ligt hij er hetzelfde bij. Niet beter, niet slechter — alleen langer.
Een morfinepleister volstaat. Voor sedatie is het te vroeg. Euthanasie wil hij niet.
En in die trage dagen stelt hij de vraag die al die tijd in de kamer hing:
“Kan ik naar huis voor die laatste fase?”
Hij wil sterven in zijn eigen bed, naar zijn eigen geur, weg van de steriliteit van het ziekenhuis.
Dus schakelen we iedereen in. De huisarts is het eens. De thuiszorg denkt mee. De buren regelen een hoog-laag bed.
Alles klopt.
Tot de werkelijkheid verschuift van bed naar papier.
Want om hem veilig naar huis te laten gaan vinden wij 24-uurs verpleegkundige zorg noodzakelijk. Zijn vrienden kunnen de nachten niet alleen dragen.
Maar het systeem denkt anders.
Het telt alleen technische handelingen: injecties, verrichtingen, toedieningen.
Waken, nabij zijn, blijven — de essentie van zorg in deze fase — bestaat administratief niet.
Dus moeten we iets verzinnen.
Niet voor hem.
Voor het systeem.
We schrijven op dat hij morfine-injecties nodig heeft, terwijl we weten dat dat voorlopig niet zo is.
Alleen dan wordt 24-uurs zorg vergoed.
Op papier klopt het nu.
In de werkelijkheid wringt het.
Zonder dit trucje zou hij in het ziekenhuis moeten blijven. Ver van zijn huis, zijn vrienden, zichzelf.
Dus doen we het.
Maar ik rijd die avond naar huis met een knoop in mijn maag.
Niet omdat ik denk dat we verkeerd handelden, maar omdat we moesten liegen om het juiste te doen.
Wij vertrouwden op wat we aan zijn bed zagen.
Het systeem vertrouwde alleen op wat op papier stond.
We moesten kiezen: of eerlijk zijn, of goede zorg regelen.
We kozen voor goede zorg.
En toch -
dat die keuze nodig was,
laat mij niet los.
Lees ook deze opiniebijdrage van palliatief verpleegkundige Ben Berkvens, deze vind je hier: https://carend.nl/artikelen/nieuws/opinie-het-waren-nachten-die-je-alleen-nog-maar-in-films-ziet