Mijn opleiding begin ik in een woonzorgcentrum. Na een paar maanden mag ik daar ‘buddy’ worden. In deze rol, bedacht om de druk op de zorg wat te verlichten, mag ik vragen over zoekgeraakte kleding beantwoorden, familie laten weten hoe de dag is verlopen of hen vragen om nieuwe shampoo mee te brengen. Zo ook voor mevrouw G., een fragiele weduwe van 83 jaar en haar dochter C.
Van meet af aan is het contact intensief. C. bezoekt haar moeder bijna dagelijks, waarbij ze altijd iets lekkers meebrengt: van bonbons tot blokjes oude kaas, van verse vis tot stamppot. ‘Hoe zorgzaam’, denk ik en ‘Zulke betrokkenheid gun je toch iedereen.’ Mevrouw G. lijkt daar echter anders over te denken. Ze zit veelal zwijgzaam in haar stoel voor het raam en de meegebrachte hapjes blijven onaangeroerd. Mijn pogingen er iets positiefs over te zeggen beantwoordt ze door haar wenkbrauwen op te trekken. Ze heeft er duidelijk geen zin in; niet in de hapjes, niet in mij, niet in haar bezoek.
Als tijdens de (volgens instellingsprotocol) maandelijkse weegsessies blijkt dat mevrouw afvalt, wordt in overleg met haar dochter besloten wekelijks te gaan wegen en een diëtiste in te schakelen. Naast hapjes verschijnen er nu ook briefjes: op de koelkast, op de keukenkastjes, op blikjes en trommeltjes, óveral plakt C. instructies op voor het verzorgend personeel met aanwijzingen over welke hapjes wanneer aan te bieden. Maar hoezeer we onze charmes ook in de strijd gooien, het meeste eten verdwijnt in de afvalbak en het afvallen zet onverminderd door. Het wegen wordt een strijd en het contact met de dochter verloopt steeds stroever: de getallen op de weegschaal bepalen de sfeer.
Ik besluit dat dit zo niet langer kan en vraag de verpleegkundige hierover in gesprek te gaan met beiden. En als het wegen na vele gesprekken dan eindelijk gestopt mag worden, denk ik iets bereikt te hebben. Maanden later zal pas blijken hoezeer ik me vergis. Mevrouw G. is inmiddels bedlegerig geworden. Eten en drinken doet ze nauwelijks nog, praten lukt ook haast niet meer. Als ik na het wassen ’s ochtends afscheid wil nemen, pakt ze mijn hand. Voorzichtig probeer ik uit te vragen wat er aan de hand is. ‘Heeft u pijn?’ vraag ik. Nee, schudt ze. ‘Bent u benauwd?’ Nee. ‘Bang?’ Nee. Ze laat niet los. Geen honger, geen dorst, geen… Ik weet niet meer wat te vragen. ‘Wilt u dat ik blijf?’ probeer ik. ‘Ja’, fluistert ze. Wat nu? Lang kan ik niet blijven; niemand van mijn collega’s. Ik bel de dochter en leg uit wat er aan de hand is. Ze begrijpt het, zegt ze, ze komt. Als ik na mijn dienst naar buiten loop, kom ik haar tegen. ‘Ik heb er toch nog een half Danoontje in weten te krijgen’, zegt ze triomfantelijk, ‘maar ik ga nu naar huis. Ik heb tijdens Corona al afscheid genomen van mijn moeder’.
Als mevrouw G. enkele dagen later overlijdt zonder dat iemand haar hand vasthoudt, voel ik me stom. Ik dacht dat ik het wel even ging regelen: passende zorg en een goed afscheid voor iedereen. Ik realiseer me dat de weegschaal het probleem niet was; die had alleen zichtbaar gemaakt hoe iedereen houvast zocht, controle in tijden van loslaten. Maar de werkelijke zorgvraag van mevrouw G. was veel kleiner, besef ik dan. Zó klein, dat we hem over het hoofd zagen: ze wilde niet alleen zijn.
Misschien is dat wat palliatieve zorg soms zo ingewikkeld maakt. Niet dat we niet weten wat we moeten doen, maar dat we moeten verdragen dat er soms weinig meer te doen valt, behalve blijven.
Sabine Woudstra is verpleegkundige en schrijft voor Carend over palliatieve zorg.
Jaarcongres Carend: Zorg in de Stervensfase 28 oktober 2026. Meer informatie? Klik hier
