Het is vrijdagmiddag als de telefoon gaat. De transferverpleegkundige uit het ziekenhuis. Het gaat om een jonge man in de stervensfase, hij heeft waarschijnlijk nog uren tot dagen.
Het is twee uur in de middag. Het is overal spits op vrijdag. Het woord nee borrelt op, niet omdat ik het niet wil maar omdat ik weet wat het vraagt. En wat er meestal niet geregeld kan worden. Maar het is zijn wens, zijn laatste.
Ik hoor de strijdlust van de verpleegkundige aan de andere kant. Ze vertelt dat de man jonge kinderen heeft. Dat hij hen niet wil achterlaten met een ziekenhuisbeeld. Dat hij thuis wil zijn. ‘Nog een keer gewoon vader’, zegt ze.
Ik slik. En zeg: ‘Laat me even kijken wat ik kan doen.’
Ik bel mijn vaste mensen. Die fijne apotheker die altijd meedenkt. De leverancier die binnen een uur een bed regelt. De betrokken wijkverpleegkundige die meteen inspringt. De huisarts waar ik laagdrempelig mee kan schakelen. Ik zit niet in wachtmuziekjes maar bel rechtstreeks en heb aan een paar woorden genoeg.
Alleen samen lukt dit. Dit netwerk is goud waard.
Ik bel terug naar het ziekenhuis. ‘Laat hem maar komen’, zeg ik.
Een kwartier voor de ambulance voor de deur stopt stap ik binnen. Zijn vrouw ontvangt mij met open armen. ‘Dank je wel’ is het enige wat ze kan zeggen. Als hij op de brandcard binnen komt nemen zijn ogen alles van de kamer in zich op. Een glimlach volgt. Ik zie het in zijn blik: hij is thuis. En dat is alles.
De kinderen scharrelen rond, alsof ze voelen dat het vandaag anders is. Ik leg uit wat we doen, wat er al geregeld is, en wat nog zal moeten komen. We doen wat we kunnen en improviseren waar nodig. Er ontbreken dingen, maar het voelt als genoeg.
Zijn vrouw kijkt me aan en zegt: ‘Hij zei gisteren: "Het eerste wat ik wil is een wijntje drinken in mijn eigen huis".’ Er worden glazen ingeschonken terwijl ik nog wat laatste dingen afrond. Als ik de kamer in loop zitten zijn kinderen op bed en zijn vrouw er naast. Ze proosten. Hij neemt een nipje en er volgt een glimlach.
‘Op thuis’ zegt hij zacht.
Als ik naar buiten stap voel ik langzaam de adrenaline zakken. Er gingen dingen niet perfect. Er kwamen dingen te laat. Het draaiboek had wat gaten. Maar hij ligt in zijn eigen huis. Met zijn kinderen en vrouw aan zijn zijde. Er is liefde. Er is rust. En er is thuiskomen.
Goede zorg is niet altijd netjes. Niet afgerond. Niet altijd volgens protocol. Goede zorg is zorg die precies goed is.
De volgende dag overlijdt hij, in alle rust. Thuis, op de plek waar hij wilde zijn. Dat moment neemt niemand ze meer af.
Eva Koenraadt werkt als technische thuiszorg en palliatieve zorg verpleegkundige.