De laatste weken heeft hij wat last van zijn linkerschouder. Niets aan de hand, denkt hij. Een overbelaste spier misschien. Een verkeerde beweging. Iets dat wel weer overgaat. Toch neemt hij wat fysiotherapie.
Dat geruste gevoel verandert resoluut als hij tijdens een boswandeling ineens door zijn bovenbeen zakt en een harde krak hoort. De ambulance constateert een spontaan gebroken been. Een grote breuk. In het ziekenhuis begrijpen we wat er aan de hand is.
Op de scan ziet de orthopeed een longtumor en talloze uitzaaiingen in zijn botten. Zijn bovenbeen is daardoor gebroken. Ook zijn andere bovenbeen staat op breken en zijn linkerschouder is zo ernstig aangetast dat opereren daar geen uitkomst meer zal bieden. Zijn lichaam is in korte tijd zo beschadigd geraakt dat uit bed komen niet meer zal lukken.
Voor mij als longarts betekent die uitgangssituatie dat ik niet kan starten met zware behandelingen als chemo- of immunotherapie. Zijn lichaam is in een ongekende sneltreinvaart te kwetsbaar geworden. Onmiskenbaar dient de laatste fase van zijn leven zich aan.
‘Weken, misschien minder,’ antwoord ik op zijn terechte vraag.
Op zulke momenten verandert de zorg van richting. Het gaat niet meer over kuren, schema’s en scans, niet meer over kansen, percentages en behandelopties, maar over iets veel fundamentelers.
Wie wil je nog zien? Waar wil je zijn? Wat moet er nog gezegd worden? Wat moet er nog gebeuren voordat het niet meer kan?
Daarin is hij meteen volstrekt helder.
Hij heeft nog één grote wens: hij wil nog trouwen.
Met zijn allerliefste.
Alleen dat al is ontroerend. Zijn afscheid van het leven is verbinding. Hij maakt een expliciete keuze voor het leven, niet voor de dood.
‘Natuurlijk gaan we je helpen,’ zegt de verpleegkundige.
Ik knik. ‘Geen probleem.’
Op dit soort momenten gaat het ineens heel snel. Want er is heel weinig tijd. Er moet gebeld worden, geschreven, gevraagd, geregeld. Vandaag nog. Liefst nu.
De verpleegkundige pakt de telefoon. Ik schrijf de medische verklaring. Iemand belt de gemeente. Iemand anders zoekt uit wat er juridisch nodig is. De officier van justitie moet toestemming geven voor de ontheffing. Er moet een trouwambtenaar komen.
Er moet een plek worden gevonden waar een ziekenhuisbed naartoe kan. Familie wordt gebeld, agenda’s worden leeggeveegd, deuren gaan open.
En wat blijkt: iedereen beweegt mee.
De gemeente denkt mee. De officier van justitie geeft toestemming. De trouwambtenaar wordt geregeld. Het ziekenhuis zoekt een passende ruimte. Verpleegkundigen, artsen, secretaresses, iedereen voelt hetzelfde: dit móet lukken.
Een paar praktische problemen worden in no time opgelost. Zo passen het bed en het hele gevolg niet in een mooie kamer, en misschien is dat achteraf maar goed ook.
Want buiten is het prachtig weer. Zo’n junimiddag waarop de lucht zacht is en het licht feestelijk. In de tuin van het ziekenhuis wordt alles in no time klaargezet. Zijn bed wordt naar buiten gereden, familie verzamelt zich eromheen, dokters en verpleegkundigen komen kijken en achter alle ramen verschijnen gezichten. Alsof het hele ziekenhuis even de adem inhoudt.
Daar ligt hij.
Niet als patiënt met een gebroken been. Niet als man met uitgezaaide longkanker. Niet als iemand voor wie geen chemotherapie meer mogelijk is.
Maar als bruidegom.
Heel kwetsbaar, maar vol trots. Rechtop in zijn bed voor zover dat gaat, naast de vrouw met wie hij nog wil trouwen. Niet later. Niet ooit. Nu.
Maar dan komt de wet ertussen.
‘Bij een spoedprocedure,’ zegt de trouwambtenaar, ‘moet het huwelijk plaatsvinden onder het dak van de gemeente. Buiten trouwen mag dus niet.’
Onder het dak van de gemeente.
Ik ben verbluft. Daar staan iedereen, in de tuin van het ziekenhuis, onder een blauwe lucht en hoge bomen. Met een stervende bruidegom in een ziekenhuisbed. Met een bruid naast hem, familie eromheen, zorgverleners erbij en alle toestemming die nodig is. De officier van justitie heeft akkoord gegeven, de gemeente heeft geholpen, het ziekenhuis heeft alles gedaan om dit moment mogelijk te maken. Binnen twee dagen is alles geregeld.
En toch dreigt het niet door te gaan.
Omdat er geen dak is.
Soms is de werkelijkheid zo absurd dat je die bijna niet kunt opschrijven zonder dat het ongeloofwaardig wordt. Maar dit is echt. De liefde is er, de mensen zijn er, de noodzaak is er. Alleen het dak ontbreekt.
Er ontstaat paniek. Niet luid, maar wel voelbaar. Van die paniek die door een groep mensen heen trekt als iedereen tegelijk beseft: dit mag helemaal niet mislukken.
Dus dan doet iemand wat in de zorg zo vaak gebeurt.
Een verpleegkundige verzint een list.
‘Waarom houden we er niet een bedlaken boven?’
Een simpele oplossing. De gemeenteambtenaar vindt het voldoende. En eerlijk gezegd: iedereen voelt dat dit klopt.
Zijn zonen en andere familieleden houden een haastig van de verpleegafdeling gehaald laken boven het bed.
En zo trouwen zij.
Onder het dak van een bedlaken. Daar, op die prachtige junimiddag, onder een geïmproviseerd dak van wit linnen, geven twee mensen elkaar hun ja-woord. Terwijl zijn lichaam hem in de steek laat, kiest hij nog één keer voluit voor het leven. Terwijl de dood loert, staat de liefde midden in de tuin.
Het wordt helemaal stil. Alleen de vogels zijn nog hoorbaar.
Verpleegkundigen staan met tranen in hun ogen, artsen zwijgen, de familie kijkt toe. De mensen achter de ruiten van het ziekenhuis speuren vast allemaal naar zijn gezicht. En die is het bekijken waard: deze man die nu van oor tot oor glimlacht. Zo’n beeld vergeet je niet snel.
Onder de bomen is dat laken niet zomaar een laken, maar een troon, een baldakijn, een kapel, een gemeentehuis, een huis. Misschien zelfs een hemel, even.
We praten in de zorg vaak over kwaliteit van leven, waardigheid en passende zorg. Grote woorden, die soms zo vaak worden herhaald dat ze bijna hun betekenis verliezen.
Maar deze middag krijgen ze hun gewicht terug. Niet in een protocol of behandelplan, maar in een bed dat naar buiten wordt gereden.
In een ziekenhuis dat even krakend tot stilstand komt en de adem inhoudt. In familieleden die een laken omhooghouden omdat de wet een dak vraagt, maar de liefde en het leven geen tijd meer hebben.
Daaronder wordt niet alleen een huwelijk gesloten.
Daaronder wordt zichtbaar waar zorg uiteindelijk over gaat, juist als genezen niet meer mogelijk is.
Ruimte maken. Meedenken. Aanwezig zijn. Doen. Een laken regelen.
Leven toevoegen aan de dagen.
Dit is zorg. Zo moet de zorg zijn.